Inplantingsrichtlijnen voor windturbines in Vlaanderen

door onze redactie, september 2000

Op voorstel van de Vlaamse ministers Steve Stevaert (o.a. Energie), Vera Dua (o.a. Leefmilieu) , Johan Sauwens (o.a. Binnenlandse Aangelegenheden) en Dirk van Mechelen (o.a. Ruimtelijke Ordening) heeft de Vlaamse regering een omzendbrief in verband met het afwegingskader en de randvoorwaarden voor de inplanting van windturbines goedgekeurd. De omzendbrief moet de beoordeling van bouwaanvragen voor windturbines vergemakkelijken.

Met deze omzendbrief wil de Vlaamse regering de ontwikkeling van windenergie in Vlaanderen versnellen en tegelijkertijd garanderen dat windturbines worden ingeplant op de meest geschikte locaties, zonder geluidshinder voor de omwonenden, visuele verstoring van het landschap of verstoring van de natuur. Hierbij wordt verwezen naar het Windplan Vlaanderen, een lopende studie om de ideale locaties te selecteren.

De omzendbrief duidt aan welke bestemmingsgebieden uitgesloten zijn en welke gebieden wel in aanmerking komen. Specifiek zullen in de overgangsperiode in de volgende gebieden projecten beoordeeld kunnen worden:

De omzendbrief beschrijft verder de procedure voor de beoordeling van vergunningsaanvragen en de rol van de interdepartementale windwerkgroep, die bij deze beoordeling advies kan geven. Zo moet er een milieunota worden opgesteld.

Geluidsimpact

De mate waarin hinder door windturbines optreedt is afhankelijk van verschillende factoren zoals de bronsterkte van de turbines, de opstellingsvorm en het aantal windturbines. Ook de aard van de ondergrond (water, land), de afstand tot de omwonenden en het niveau van het achtergrondgeluid speelt een rol. Over het algemeen neemt het achtergrondgeluid bij het toenemen van de wind meer toe dan de bronsterkte van een windturbine.

De recente VLAREM-wetgeving stelt dat in het geval van installaties voor de winning van windenergie geen geluidsnormen van toepassing zijn. De nodige maatregelen aan de bron moeten genomen worden volgens de huidige stand van de techniek.

Het streefdoel moet minstens zijn dat in landelijke zones de turbines niet meer geluid mogen produceren dan het achtergrondgeluid LA95,1h min 5 dB(A), gemeten volgens de internationaal gangbare meetprocedures terzake. Dit zal vooral van belang zijn in de omgeving van geluidsgevoelige gebieden zoals natuurgebieden, recreatiegebieden, en de dichtstbijgelegen woningen toebehorend aan derden. Een minimale afstandsregel van 150 m (600 kW-turbine) tot 250m (1500 kW-turbine) kan worden gehanteerd tot de dichtstbijgelegen woningen toebehorend aan derden.

Effecten op verjagen van diersoorten op de locatie en in de omgeving kunnen belangrijk zijn.Voor de aanleg van een windturbinepark zal onderzoek moeten gebeuren naar de broedvogelpopulatie, de pleisterende en foeragerende vogelsoorten met slaap- en voedseltrek en naar de trekroutes.

Windgeruis

Wordt in de richtlijn ook rekening gehouden met de toename van het windgeruis rond woningen als de windsterkte toeneemt? Deze problematiek is in Nederland wettelijk gezien nog niet opgelost. De heer Buelens, werkzaam bij het kabinet van minister Stevaert, antwoordt op deze vraag: "Volgens mijn interpretatie houdt de Vlaamse omzendbrief wel rekening met het stijgend windgeruis bij toenemende windsterkte: de omzendbrief vermeldt immers dat het geluid van de windturbine 5 dB lager moet blijven dan het achtergrondgeluid. In dit achtergrondgeluid is ook het windgeruis begrepen".

Bronnen:

  1. Persmededeling van de Vlaamse Regering, Vergadering van 17 juli 2000
  2. Omzendbrief: EME/2000.01, Afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van windturbines.
  3. ing. B.H. Willighagen, Windsnelheidsafhankelijk L95-niveau; Bepalingsmethoden ten behoeve van ruimtelijke inpassing van windturbines, NAG journaal nr. 145, maart 1999

home...