Minister ontwijkt Kamervraag klacht voegovergang door verwijzing naar gpp's

Redactie, april 2018

Het SP Kamerlid Lacin stelde in februari diverse vragen aan minister Van Nieuwenhuizen over de geluidoverlast die bewoners in het stadje Ravenstein (tussen Oss en Nijmegen) ondervinden van de A50. Met name het geluid van de voegovergang was hinderlijk. De minister gaat in haar reactie echter niet in op deze specifieke klacht, en verwijst slechts naar de wettelijke geluidproductieplafonds.

Kaboem-kaboem

De centrale vragen luidden: "Bent u op de hoogte van het feit dat inwoners van het stadje Ravenstein veel geluidsoverlast ondervinden van de A50 doordat de brug hoog boven het stadje uitstijgt en het steeds van "kaboem-kaboem" gaat wanneer een auto de brug passeert? Zo ja, wat vindt u daarvan?" En: "Is er sinds 2009 iets ondernomen tegen de geluidsoverlast?"

In haar antwoord negeert de minister echter de duidelijke specificatie over de voeg: "Ik ben op de hoogte van de situatie dat er in Ravenstein geluidhinder van de A50 wordt ervaren." Ze vervolgt: "De maximale geluidproductie die een rijksweg mag voortbrengen is vastgesteld in geluidsproductieplafonds op zogenaamde referentiepunten. Dit zijn punten die elke 100 meter van de weg geplaatst zijn, op ca 50 meter afstand. Van deze punten is de maximale geluidsproductie vastgesteld op basis van de wegeigenschappen en de hoeveelheid verkeer over deze weg. Wanneer de geluidproductie dit vastgestelde plafond dreigt te overschrijden moet de beheerder maatregelen nemen zoals bv. het aanbrengen van stiller asfalt t.o.v. hetgeen er al ligt. Rijkswaterstaat rapporteert jaarlijks hierover in een nalevingsverslag, waarbij de wegbeheerder zich baseert op hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer, die sinds 1 juli 2012 van toepassing is. Sinds de invoering van de GPP-systematiek in 2012 is er op deze locatie langs de A50 nog geen sprake geweest van een dreigende overschrijding van GPP’s binnen 5 jaar. Er is dan ook geen aanleiding tot het treffen van (aanvullende) geluidmaatregelen ter plekke.

Bron (met volledige brief aan de Kamer): Rijksoverheid