|
Jurisprudentie april 2018 |
|
Judith Doorschot en Ronald Gijsel (M+P), april 2018 (Daniëlla Nijman is met verlof. Judith Doorschot en Ronald Gijsel vervangen haar de komende maanden.) Verkeersgeluid Purmerbuurt 2017: ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1103 Het college van Purmerend heeft ten behoeve van het toen nog vast te stellen bestemmingsplan "Purmerbuurt 2017" hogere geluidsgrenswaarden vastgesteld vanwege verkeerslawaai van de Purmerenderweg. Omwonenden voeren aan dat de raad ten onrechte de geluidsgevolgen van het extra verkeer voor hun woningen niet heeft onderzocht. Voor de nieuwe woningen is een besluit hogere waarden vastgesteld. Gelet hierop had het volgens hen op de weg van de raad gelegen om ook de gevolgen voor de omwonenden te onderzoeken. De raad stelt zich op het standpunt dat gelet op de relatief geringe toename van verkeer ten gevolge van het plan er geen aanleiding bestond onderzoek te doen naar de geluidsoverlast voor omwonenden. In het kader van het beroep is er alsnog een geluidsonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de toename ongeveer 0,2 dB zal zijn. Dit verschil zal in de praktijk niet merkbaar zijn. De Afdeling gaat hierin mee: gelet op de relatief geringe toename van 242 mvt per etmaal op de bestaande 4.353 mvt per etmaal bestond er geen aanleiding een geluidsonderzoek te doen naar de gevolgen voor de omwonenden. Het beroep is niet gegrond. N213 Dijkweg-Middel Broekweg: ABRvS 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1226 Het plan voorziet in een verbreding van de N213 (Burgemeester Elsenweg) over het tracé Middel Broekweg-Dijkweg. Enkele omwonenden, met woningen die zijn gelegen op afstanden tussen de circa 20 en 80 m van het plangebied, tekenen bezwaar aan. Een omwonende betoogt dat op grond van hetgeen het plan mogelijk maakt niet is uitgesloten dat de verbreding van de N213 ook ter hoogte van zijn woningen leidt tot een reconstructie van de weg. Het feitelijke toekomstige gebruik van het plangebied is onderzocht en de uitkomst daarvan is dat ter plaatse van de betreffende woningen geen sprake is van een reconstructie van de weg. Met betrekking tot het betoog dat het plan meer mogelijk maakt dan het wegprofiel zoals dat in de plantoelichting nader uiteen is gezet en dat uitgangspunt is geweest voor het verrichte akoestisch onderzoek - te weten een verbreding van de weg en realisering van extra rijstroken - heeft de raad ter zitting toegezegd dat dat op grond van dit bestemmingsplan niet aan de orde is. Gelet op de ter plaatse lopende ventweg bestaat ook geen ruimte voor die verbreding en voorts heeft de provincie eerder aangegeven zich niet met die verbreding te kunnen verenigen. Onder deze omstandigheden heeft de raad dit als een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden mogen aanmerken. Het beroep is niet gegrond. Ruimtelijke ordening Barneveld: ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1123 Het college van Barneveld heeft geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het tijdelijk gebruiken van een kantoor voor woondoeleinden op het perceel Pascalstraat 14 te Barneveld. Het project voorziet in het tijdelijk gebruiken van het kantoorpand op het perceel voor woondoeleinden. Het perceel is gelegen op het bedrijventerrein "De Valk". Het project is in strijd met de ingevolge het bestemmingsplan "Barneveld-Oost" ter plaatse geldende bestemming "Bedrijventerrein". Het college heeft geweigerd een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen voor het project. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het goede woon- en leefklimaat ter plaatse niet is gewaarborgd en dat de uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven in de omgeving worden beperkt. Het enkele feit dat aan de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) niet zonder meer kan worden voldaan rechtvaardigt volgens appellant niet het oordeel dat een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gewaarborgd. De afstand van een nabijgelegen bedrijfswoning tot het betreffende bedrijf bedraagt slecht 21 m: appellant wijst erop dat er dan vanuit gegaan moet worden dat een goed woon- en leefklimaat bij die woning was gewaarborgd ondanks de aanwezigheid van het touringcarbedrijf. Bovendien gaat het om een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van 10 jaar; in artikel 49 van de Wet geluidhinder is bepaald dat voor vergunningen als de onderhavige voor bewoning voor de duur korter dan 10 jaar op een gezoneerd bedrijventerrein de geluidbelasting op die woningen niet wordt getoetst en dat het hier om een ongezoneerd bedrijventerrein gaat. De afdeling onderschrijft de argumentatie van appellant niet. Het college heeft in redelijkheid, onder verwijzing naar de richtafstanden uit de VNG-brochure, kunnen weigeren de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Het door appellant aangevoerde biedt geen grond voor een ander oordeel. Bij de beoordeling van de vraag of ter plaatse van de voorziene woningen sprake is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, dient uitgegaan te worden van hetgeen het bestemmingsplan in de omgeving toestaat. Dat bij tijdelijke omgevingsvergunningen niet aan de Wet geluidhinder wordt getoetst, brengt voorts niet met zich dat het aspect geluid geen rol meer speelt bij de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De vergelijking met de genoemde bedrijfswoning wordt ook niet gevolgd door de Afdeling: dit betreft geen gelijk geval, aangezien dat een bedrijfswoning betreft die in overeenstemming was met het destijds geldende bestemmingsplan. Industrielawaai metaalafvalverwerkingsbedrijf te Zwartsluis: ABRvS 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1045 Een omwonende van een metaalafvalverwerkingsbedrijf heeft hoger beroep ingesteld tegen het verlenen van de omgevingsvergunning, onder meer omdat hij vreest voor geluidsoverlast. Appellant betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de door de inrichting veroorzaakte geluidniveaus in het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport zijn onderschat. De appellant verwijst ter onderbouwing van zijn betoog naar door hem overgelegde rapporten van twee andere adviesbureaus. Omdat de afdeling meent dat het op grond van het door de inrichting overlegde geluidsrapport voldoende aannemelijk is dat de inrichting kan voldoen aan de aangehouden grenswaarden, wordt het beroep ongegrond verklaard. De Afdeling stelt hierbij dat het niet zo is, dat om de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar te kunnen achten, vast moet staan dat zich onder geen enkele omstandigheid een overschrijding van die grenswaarden kan voordoen. Dat de inrichting er in zoverre onder meer voor zal moeten zorgen dat belangrijke geluidbronnen, zoals de mobiele kranen, op juiste wijze worden gepositioneerd ten opzichte van de woning van appellant en dat afschermende voorzieningen waarmee in het geluidsrapport rekening is gehouden daadwerkelijk aanwezig zijn, betreft niet de naleefbaarheid van de gestelde geluidgrenswaarden, maar de daadwerkelijke naleving daarvan. Opmerking: Transformatie Transformatie van kantoor naar studentenhuisvesting te Utrecht: ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1116 Het bouwplan voorziet in de verbouw van het pand ten behoeve van kamerverhuur aan studenten en in 25 onzelfstandige kamers. Appellant is eigenaar van het kantoorpand, dat is gelegen naast het te transformeren pand. Appellant vreest na realisering van het bouwplan onder meer geluidsoverlast van de studenten die in het pand komen te wonen. Hij stelt in dit kader dat niet aan het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan en ten onrechte onder meer geen akoestisch onderzoek is gedaan met betrekking tot de sloopwerkzaamheden en het lucht- en contactgeluid. De afdeling stelt, dat het college niet heeft gemotiveerd welke geluidseisen van het Bouwbesluit 2012 op het voorziene kamerverhuurpand zelf van toepassing zijn en aan welke eisen is getoetst. In dit kader wordt onder meer in aanmerking genomen dat uit de beschikbare stukken niet blijkt of het pand vrijstaand is of tegen de buurpanden is aangebouwd. Ter zitting heeft het college geen nadere toelichting kunnen geven met betrekking tot het aspect geluid. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college, gelet op het voorgaande, met betrekking tot het aspect geluid onvoldoende gemotiveerd aan welke voorschriften van het Bouwbesluit 2012 getoetst diende te worden, aan welke voorschriften door hem is getoetst en dat aannemelijk is dat het bouwplan aan de toepasselijke voorschriften van het Bouwbesluit 2012 voldoet. Het betoog van de appellant slaagt hiermee. Plattelandswoning Herbestemming bedrijfswoning naar voormalige bedrijfswoning/plattelandswoning Gemert/Bakel: ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1096 De Afdeling overweegt dat een plattelandswoning als geluidgevoelige ruimte, als bedoeld in artikel 1 van de Wgh, wordt beschermd tegen geluidhinder van nabijgelegen veehouderijen, niet zijnde de landbouwinrichting waar de bedrijfswoning deel van uitmaakt of heeft uitgemaakt. Nu de woning planologisch behoort tot het manegebedrijf - hoewel deze woning door een derde wordt bewoond - wordt de woning niet beschermd tegen geluidhinder vanwege dit bedrijf en kan de woning, wat betreft het aspect geluid, evenmin leiden tot beperkingen in de bedrijfsvoering op dit perceel. De woning wordt wel beschermd tegen geluidhinder vanwege omliggende bedrijven. Deze bescherming zou overigens niet anders zijn in de situatie, waarin de woning feitelijk in gebruik zou zijn als bedrijfswoning bij het manegebedrijf. In de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen naar de voor dit manegebedrijf verleende omgevingsvergunning voor milieu. De raad stelt dat voor het manegebedrijf geldt dat aan de daarin opgenomen voorwaarden moet worden voldaan, zowel voor als na de toekenning van de aanduiding als voormalige bedrijfswoning. Het toekennen van de aanduiding brengt derhalve geen veranderingen ter zake van de geldende geluidnormen met zich. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid bij de voorbereiding van het plan het uitvoeren van een geluidonderzoek achterwege kunnen laten. Hierbij is mede van belang dat ook niet anderszins is gebleken van geluidstoename. Industrielawaai windturbine Realisatie windturbines te Montferland, ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:11 Gemeente en omwonenden maken bezwaar tegen de vergunning voor de realisatie van windturbines, aangevraagd door provinciale staten van Gelderland. Appellanten vrezen voor geluidhinder en stellen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar het achtergrondgeluidniveau ter plaatse. Provinciale staten hebben bij hun beoordeling of in akoestisch opzicht een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd, aansluiting gezocht bij artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit:Een windturbine of een combinatie van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein. In verband daarmee bestond volgens hen geen aanleiding om het exacte achtergrondgeluidniveau ter plaatse te meten. De Afdeling ziet in hetgeen in beroep wordt aangevoerd geen grond voor het oordeel dat provinciale staten de normstelling in het Activiteitenbesluit niet als uitgangspunt mochten hanteren. In aanmerking genomen dat provinciale staten zich in beginsel mogen stellen achter de grenswaarden vermeld in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, acht de Afdeling het voorts niet onredelijk dat zij het onnodig hebben geacht het achtergrondgeluidniveau in de omgeving van de geprojecteerde windturbines te bepalen. Opmerking: |
| footer |