Jurisprudentie planschade door verruiming zone industrieterrein

Daniëlla Nijman, Holla Advocaten, februari 2018

De gemeenteraad van Zwartewaterland heeft het bestemmingsplan Zomerdijk vastgesteld en de geluidzone van het industrieterrein Zomerdijk-Meppelerdiep verruimd. Appellant verzoekt om vergoeding van planschade. Zijn woning is in waarde gedaald door de verruiming van de geluidzone. Onder het oude planologisch regime lag de woning net buiten de geluidscontour van 50 dB(A). Nu is de woning binnen de geluidscontour van 55 dB(A) komen te liggen.

Het college van B en W heeft het planschadeverzoek afgewezen op basis van een deskundigenrapport van de SAOZ. De Raad van State heeft zich twee keer over de kwestie gebogen.

Tussenuitspraak: onjuist uitgangspunt planologische vergelijking

Aanvankelijk adviseerde de SAOZ dat er geen sprake is van een waardedaling, omdat de feitelijke bij recht aanwezige geluidbelasting al 53,8 dB(A) bedroeg. Dit was het gevolg van een omgevingsvergunning milieu die aan een bedrijf was verleend. Daardoor werd de ten hoogste toegestane geluidbelasting van 50 dB(A) al overschreden. Het resterende verschil van 53,8 dB(A) naar 55 dB(A) leidde volgens de SAOZ niet tot waardevermindering, omdat dit verschil niet hoorbaar is.

Bij tussenuitspraak van 16 augustus 2017 oordeelde de Afdeling dat dit een onjuist uitgangspunt is. Het gaat immers om een planologische vergelijking waarbij de feitelijke situatie niet van belang is. Dat betekent dat een verleende milieuvergunning niet bij de planvergelijking dient te worden betrokken. De verlening van die vergunning leidt immers niet tot een wijziging van het planologisch regime. De feitelijke geluidbelasting van 53,8 dB(A) moet daarom buiten beschouwing worden gelaten.

Nieuw rapport: verruiming geluidzone is normaal maatschappelijk risico

Het nieuwe rapport van de SAOZ is wel gebaseerd op een toename van 50 dB(A) naar 55 dB(A). Dan blijkt dat de waarde van de woning is gedaald van € 510.000 naar € 495.000. Dit is een waardedaling van ongeveer 3%. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening blijft de eerste waardedaling van 2% hoe dan ook voor rekening van appellant. Dit is een forfaitaire drempel ter invulling van het normaal maatschappelijk risico.

Afhankelijk van de situatie kan met een hoger percentage worden gerekend. Zo wordt bij veel inbreidingsplannen tegenwoordig gerekend met een normaal maatschappelijk risico van 5%, omdat de invulling van lege plekken in stedelijk gebied als een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling wordt gezien.

Volgens de SAOZ kan dezelfde redenering worden toegepast op de verruiming van de geluidcontour. De SAOZ meent dat het aanpassen van de zonering rond een bestaand industrieterrein in zijn algemeenheid een normale maatschappelijke ontwikkeling is. Daarom zou een hogere drempel van 3% in dit geval ook aanvaardbaar zijn. De SAOZ stelt dat ook elders in het land de geluidzonering wordt aangepast aan nieuwe ontwikkelingen of in lijn wordt gebracht met vergunde situaties. Gelet op de structuur van de omgeving, namelijk een bestaand bedrijventerrein met bestaande zware bedrijvigheid, zou de nieuwe ontwikkeling kunnen worden gezien als passend. De aanpassing van de geluidcontour is volgens de SAOZ in lijn met het gevoerde ruimtelijke beleid. De SAOZ verwijst naar een onderzoek dat door de gemeente in 2008 is gestart naar de geluidproblematiek rond het bedrijventerrein.

Appellant is het hier niet mee eens en wil vergoeding van de waardevermindering die boven de vaste drempel van 2% uitkomt. Een verruiming van de geluidzone is volgens hem helemaal geen normale maatschappelijke ontwikkeling. Hij wijst op de ontwikkeling om juist steeds meer intern te zoneren. Verruiming van de geluidzone is volgens hem meer uitzondering dan regel. Vanwege de woonbebouwing in de directe nabijheid zou het helemaal niet in de rede liggen om de geluidzone van het bedrijventerrein te verruimen. Het beleid van de gemeente is niet gericht op uitbreiding van geluidzones en ook niet op de uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen als zodanig. Dat er in 2008 onderzoek zou zijn gestart naar de geluidproblematiek rondom het bedrijventerrein had er ook toe kunnen leiden dat de gemeente zou besluiten om de geluidproblematiek ander op te lossen, bijvoorbeeld door maatregelen aan de bron of overdrachtsmaatregelen te treffen. Daarnaast wijst hij erop dat door dit bestemmingsplan zijn laatste geluidluwe zijde wordt weggenomen. Dat nadeel kan volgens hem niet voor zijn rekening worden gelaten.

Oordeel Afdeling

De uitspraak laat zien hoe moeilijk het is om de inhoud van een deskundigenrapport te weerleggen. Volgens de Afdeling is het niet in geschil dat de door de SAOZ gesignaleerde ontwikkelingen zich voordoen. Deze ontwikkelingen zijn daarom terecht betrokken bij de beoordeling van het normaal maatschappelijk risico. Dat een tegengestelde ontwikkeling zich vaker voordoet, betekent niet dat de gesignaleerde ontwikkeling niet te verwachten was. Appellant heeft niet nader toegelicht of onderbouwd waarom de tegengestelde ontwikkeling vaker voorkomt. Hij heeft ook nagelaten om zijn standpunt dat de ontwikkeling naar zijn aard en omvang niet binnen de omgeving past te onderbouwen. De gemeente is weliswaar een geluidonderzoek gestart in reactie op de verzoeken die appellant door de jaren heeft gedaan om een einde te maken aan de geluidsoverlast, maar dat heeft er niet toe geleid dat de gemeente de overlast heeft teruggebracht. Dit vormt volgens de Afdeling een aanwijzing dat het niet in de rede lag dat de gemeente zou besluiten om een einde te maken aan de geluidhinder. De gedupeerde woningeigenaar trekt dus aan het kortste eind.

Betekenis uitspraak

Moeten we hieruit concluderen dat een verruiming van de geluidzone altijd een te verwachten ontwikkeling is en bij planschadeverzoeken een hogere drempel kan worden toegepast voor het normaal maatschappelijk risico? Ik denk het niet. Zowel de plaatselijke omstandigheden als de algemene trend zijn van belang bij de beoordeling van een planschadeverzoek. Ik durf te betwijfelen of een verruiming van de geluidzone in zijn algemeenheid als een normale ontwikkeling is aan te merken. Ik sluit daarom niet uit dat de uitkomst in deze procedure in belangrijke mate is bepaald door de plaatselijke omstandigheden en het gevoerde debat. Ik kijk uit naar een volgende procedure waarin deze discussie verder kan worden uitgekristalliseerd.

Bron: Raad van State, ABRvS 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380