Overzicht jurisprudentie januari - februari 2018

Daniëlla Nijman, Holla Advocaten, februari 2018

Ruimtelijke ordening

NRE-terrein Eindhoven: ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:340

In april 2017 heeft de Afdeling zich gebogen over de plannen voor de herontwikkeling van het NRE-terrein in Eindhoven. In de tussenuitspraak oordeelde de Afdeling dat er ten onrechte geen onderzoek was gedaan naar het worst-case scenario waarbij de bedrijvigheid zich concentreert aan de rand van het plangebied nabij de bestaande woningen. De etmaalwaarde van 50 dB(A) zou dan worden overschreden. Dat de gemeente hierop wilde sturen via de gronduitgifte deed daar niet aan af.

Inmiddels liggen er nieuwe geluidrapporten, na de nodige discussie over de uitgangspunten. Hoe bereken je de maximale cumulatieve geluidbelasting van een plangebied met globale bestemmingen? Wat is een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden?

Aanvankelijk was in het geluidrapport uitgegaan van een mix van bedrijven in milieucategorie 1 en 2. De planregels staan er echter niet aan in de weg dat in het plangebied uitsluitend bedrijven in milieucategorie 2 worden gevestigd. Ook was in het rapport aanvankelijk de aanname gedaan dat van elke gebruiksfunctie in het plangebied slechts 70% zou worden benut tot een maximum bvo van 6.292 m². De planregels sluiten echter niet uit dat het daarin toegelaten bvo van 9.000 m² voor bedrijven in milieucategorie 2 maximaal wordt benut. Naar aanleiding van een zienswijze van een van de appellanten is het geluidrapport aangepast. Uiteindelijk is gerekend met een invulling door uitsluitend categorie 2 bedrijven met een gezamenlijk bvo van 9.000 m². Hiermee is op een correcte wijze de maximale planologische invulling beschouwd.

Voor het geluid van het wegverkeer mag worden volstaan met de geluidbelasting van de op de verbeelding aangeduide ontsluitingsweg. Het is voldoende aannemelijk dat de overige wegen niet in relevante mate bijdragen aan de cumulatieve geluidbelasting.

Het resultaat is dat bij 16 van de 37 woningen sprake is van een gecumuleerde geluidbelasting van meer dan 50 dB(A). In de worst-case situatie kunnen de gecumuleerde niveaus tot 53 dB(A) bedragen (in de uitspraak staat 53 dB, ik neem aan dat is bedoeld dB(A)). Volgens de gemeenteraad is dit nog steeds een redelijk akoestisch klimaat.

De Afdeling laat zich niet inhoudelijk uit over de vraag of en waarom een cumulatieve geluidbelasting van 53 dB(A) redelijk is. Wellicht omdat appellanten geen argumenten naar voren hebben gebracht om te onderbouwen waarom deze geluidbelasting niet acceptabel zou zijn. Uit het feit dat het bestemmingsplan nu de eindstreep haalt, mogen we afleiden dat een cumulatieve geluidbelasting van 53 dB(A) goed verdedigbaar is als het gaat om stedelijk gebied nabij het centrum.

Stemgeluid school Rozendaal: ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:328

De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan Dorpsschool Rozendaal vastgesteld en een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een nieuwe school. Omwonenden komen hiertegen op vanwege de overlast die zij zullen ondervinden van het stemgeluid.

Stemgeluid is in het Activiteitenbesluit uitgezonderd van toetsing aan de geluidnormen, maar moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel worden meegewogen. De omwonenden stellen dat een norm van 45 dB(A) had moeten worden gehanteerd, omdat het een rustige woonwijk betreft. De gemeenteraad heeft echter aangesloten bij de norm van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit. Dit is door de Afdeling al vaker aanvaard als een redelijke norm.

Met een geluidrapport is getoetst of er een geluidscherm nodig is om aan deze norm van 50 dB(A) te voldoen en hoe hoog dat scherm dan moet zijn. In het geluidrapport is aangegeven met welke bronsterktes is gerekend voor het stemgeluid van de kinderen, waarbij een uitsplitsing is gemaakt voor de verschillende groepen. Ook is rekening gehouden met het aantal uren dat de verschillende groepen in de dagperiode buiten spelen. Weliswaar is in het rapport niet vermeld wat de bronsterkte is op het moment dat alle kinderen tegelijkertijd buiten zijn en tegelijkertijd hun maximale geluidniveau veroorzaken, maar de gemeenteraad heeft ter zitting aannemelijk gemaakt dat deze situatie in de representatieve schoolsituatie niet te verwachten is.

Uit het geluidrapport volgt dat met een geluidscherm van 1,6 meter hoogte kan worden volstaan. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te waarborgen dat het scherm er komt. Met de hoogteverschillen van het terrein is voldoende rekening gehouden, nu uit de stukken blijkt dat het scherm wordt geplaatst op een deel van het terrein dat hoger ligt dan het schoolplein.

Supermarkt Haarlemmermeer: ABRvS 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:430

Het bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van een supermarkt, die van locatie wisselt met het dorpshuis. De geluidsbelasting is niet goed onderzocht, omdat niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Zo is het planologisch niet uitgesloten dat de route langs de woning van appellant wordt gebruikt door winkelend publiek met winkelwagentjes. Weliswaar is de ingang van de supermarkt gedacht aan de achterzijde van het voorziene gebouw, maar het plan maakt ook een ingang aan de voorzijde mogelijk. Ook maakt het plan het mogelijk dat niet alleen inpandig wordt geladen en gelost, dat kan ook buiten plaatsvinden. Dit moet alsnog worden meegenomen in het geluidsonderzoek. Daarbij merkt de Afdeling op dat voor zover piekgeluiden als gevolg van laad- en losactiviteiten bij toepassing van het Activiteitenbesluit buiten beschouwing blijven, maar daarover in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel een standpunt moet worden bepaald.

Verbindingsweg Maasdijk: ABRvS 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:502

Dit is een vervolg op de eerder besproken tussenuitspraak van 8 februari 2017. Het plan maakt de aanleg van een nieuwe verbindingsweg mogelijk. De woning van appellant staat onderaan het talud. Vanwege de toename van geluidhinder en lichthinder voorziet het plan in een zichtscherm van 1 meter hoog en 11 meter lang.

In de tussenuitspraak oordeelde de Afdeling nog dat de raad onvoldoende onderzoek had gedaan naar de relevante feiten en af te wegen belangen. Er is sprake van een zwaar belast woon- en leefklimaat. De raad had onderzoek moeten doen naar de mogelijkheid om de woning elders op het perceel te herbouwen of geheel aan te kopen.

Dit leek een pittige opdracht. Uiteindelijk loopt het echter met een sisser af. Herbouw van de woning op grotere afstand van de weg blijkt niet mogelijk. Dat komt in de knel met de vereiste afstanden tot glastuinbouwbedrijven en de aanwezigheid van een primaire watergang met duiker. Ook appellant ziet in dat dit geen haalbare kaart is. Aankoop van de gehele woning is ook geen redelijk alternatief voor de plaatsing van een scherm. De woning is getaxeerd op € 440.000 en de kosten voor het zichtscherm bedragen slechts € 12.500.

Uiteindelijk komt het alleen nog aan op de vraag of de toename van geluid- en lichthinder in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hoewel er sprake is van een zwaar belaste situatie is de toename van geluidhinder beperkt tot 1 à 2 dB. De geluidbelasting vanwege de nieuwe verbindingsweg blijft onder de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Alleen op de bovenverdieping van de woning is er lichthinder van koplampen. De gemeenteraad is bereid de kosten van verduisterende gordijnen te vergoeden. Daarmee is de belangenafweging compleet en mocht de gemeenteraad een groter gewicht toekennen aan de belangen die met de nieuwe verbindingsweg worden gediend. Wat aanvankelijk een spannende zaak leek te kunnen worden, dooft dus als een nachtkaars uit.

Planschade

Planschade verruiming zone industrieterrein: ABRvS 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380

Appellant heeft verzocht om vergoeding van planschade. Zijn woning is in waarde gedaald door de verruiming van de geluidzone van het bedrijventerrein Zomerdijk-Meppelerdiep. Onder het oude planologisch regime lag de woning net buiten de geluidscontour van 50 dB(A). Nu is de woning binnen de geluidcontour van 55 dB(A) komen te liggen. Lees hier verder.

Omgevingsvergunning milieu

Piekniveaus scheepswerf: ABRvS 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:511

Deze uitspraak ziet op een milieuvergunning die is aangevraagd onder de werking van de oude Wet milieubeheer. De uitspraak zou niet anders hebben geluid als het ging om een omgevingsvergunning milieu onder de Wabo.

De scheepswerf ligt op een gezoneerd industrieterrein en is al lange tijd ter plaatse gevestigd. De milieuvergunning is kennelijk aangevraagd ter legalisering van een illegale situatie. Er zijn al de nodige handhavingsprocedures geweest. GS hebben de milieuvergunning geweigerd, omdat de scheepswerf niet kan voldoen aan de nog aanvaardbaar te achten grenswaarden voor de maximale geluidniveaus.

Toepassing Handreiking

GS hebben bij de beoordeling van de maximale geluidniveaus de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gehanteerd. Op basis daarvan zijn in de dagperiode maximale geluidniveaus aanbevolen van 70 dB(A). Op grond van een bestuurlijke afweging kan een ontheffing worden verleend tot maximaal 75 dB(A) in de dagperiode.

De scheepswerf stelt de toepassing van de Handreiking ter discussie. Zij stelt dat het college niet verplicht is om bij deze grenswaarden aan te sluiten en andere beleidsregels had kunnen vaststellen. Daarnaast had het college vanwege de bijzondere omstandigheden hogere grenswaarden moeten toestaan. De scheepswerf verwijst onder andere naar het feit dat het bestemmingsplan de vestiging van een scheepswerf mogelijk maakt en dat het voorziet in een gezoneerd industrieterrein. Ook de historische aanwezigheid van een scheepswerf ter plaatse wordt aangehaald, het economisch belang van de scheepswerf en de lange tijd dat de scheepswerf wordt gedoogd.

De Afdeling overweegt dat het college in beginsel bij de grenswaarden van de Handreiking mag aansluiten en dat dit geen nadere motivering nodig heeft. De bijzondere omstandigheden die zijn aangevoerd maken dat niet anders. De lange gedoogsituatie creëert geen rechten. De Afdeling merkt ook op dat het speciale vestigingsklimaat op een gezoneerd industrieterreinen er niet aan in de weg staat dat bij de beoordeling van de milieugevolgen van de inrichting wordt gekeken naar de piekniveaus die optreden bij woningen die buiten het industrieterrein zijn gelegen.

Vooruitlopen op normering Omgevingswet

Een opvallend argument is dat de scheepswerf stelt dat rekening had moeten worden gehouden met recente milieuhygiënische inzichten, die er op neerkomen dat voor de maximale geluidniveaus in de dagperiode geen grenswaarden meer hoeven te worden gesteld. De scheepswerf verwijst naar de Omgevingswet en het ontwerp Besluit kwaliteit leefomgeving en toekomstig provinciaal en gemeentelijk beleid.

Het klopt dat de ontwerpteksten voor de Omgevingswet de normering van piekniveaus in de dagperiode loslaten. Daar wordt echter ook nog de nodige discussie over gevoerd. De Afdeling is niet bereid om te anticiperen op de ontwerpteksten voor het Besluit kwaliteit leefomgeving. De Afdeling overweegt dat niet is gebleken dat er ten tijde van het genomen besluit algemeen aanvaarde milieuhygiënische inzichten zijn die maken dat niet kan worden aangesloten bij de grenswaarden die in de Handreiking zijn opgenomen.

Geen ontheffing voor hogere maximale geluidniveaus

Vervolgens wordt gediscussieerd over de exacte hoogte van de maximale geluidniveaus en de wijze waarop dat is gemeten. De eindconclusie is dat de maximaal te ontheffen waarde van 75 dB(A) veelvuldig wordt overschreden. Voor zover dat het gevolg is van het te water laten van schepen zou er een uitzondering van de grenswaarden kunnen worden opgenomen. De piekniveaus worden echter ook overschreden door het richten van secties. Dit gebeurt ongeveer vijf keer per jaar gedurende zes dagen. Het staat vast dat er technische en organisatorische maatregelen kunnen worden getroffen om de geluidemissie daarvan te beperken. GS hebben daarom terecht gesteld dat het richten van secties niet als een uitzonderlijke bedrijfssituatie kan worden gezien waarvoor een ontheffing moet worden verleend. Kortom, de milieuvergunning is terecht geweigerd.

Verkeer

Ontheffing geluidproductieplafonds N48: ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:586

De staatssecretaris heeft een tijdelijke ontheffing verleend van de naleving van de geluidproductieplafonds van referentiepunten langs de N48. Rijkswaterstaat heeft om deze ontheffing verzocht, omdat er een onvoorziene toename van verkeer is waardoor de geluidproductieplafonds zullen worden overschreden. Het op korte termijn voorkomen daarvan door het aanleggen van een geluidarm wegdek zou kapitaalvernietiging betekenen. Het huidige wegdek is namelijk in 2010 aangelegd en er is een geluidarm wegdek voorzien in 2021.

Omwonenden betogen dat de staatssecretaris van te lage geluidwaarden is uitgegaan omdat het verkeer de komende jaren verder zal toenemen. Ook zou ten onrechte geen rekening zijn gehouden met de geribbelde belijning die veel geluid veroorzaakt als voertuigen daar overheen rijden. Bovendien is er door verzakking een knik in de weg ontstaan, waardoor lege vrachtwagens veel geluid veroorzaken door klapperende laadbakken. Zij stellen dat de geluidwaarden ten onrechte niet met een meting zijn vastgesteld.

Helaas voor appellanten kunnen deze omstandigheden geen rol spelen bij de beoordeling van de ontheffing. De Wet milieubeheer schrijft voor dat het geluidniveau moet worden vastgesteld met toepassing van hoofdstuk 5 van het Reken- en meetvoorschrift geluid. De voorgeschreven rekenmethode houdt geen rekening met de feitelijke staat van de weg. De geribbelde belijning en de knik in de weg hebben dus geen invloed op de uitkomst. Alleen de toename van het verkeer is van invloed op het rekenresultaat en dat is op de juiste wijze gebeurd.

Ontheffing geluidproductieplafonds A15: ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:588

Op dezelfde dag is ook uitspraak gedaan op het beroep tegen de ontheffing van de naleving van de geluidproductieplafonds van de referentiepunten langs de A15 tussen Valburg en Bemmel. Het beroep van die appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard. De ontheffing is namelijk alleen verleend voor 2016. Op dit moment is er daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de ontheffing. Het uitblijven van een inhoudelijk oordeel heeft geen invloed op de beoordeling van het tracébesluit dat in procedure is. Daar kan appellant onverkort zijn bezwaren tegen de geluidbelasting aan de orde stellen.

Procedureel

Belanghebbendheid bij vergunning reststoffencentrum: ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:254

Nabij het landgoed van appellant wordt een reststoffencentrum gerealiseerd. De kortste afstand van zijn percelen tot de inrichting bedraagt ongeveer 450 meter. Zijn woning ligt op ongeveer 850 meter. Het criterium voor belanghebbendheid is tegenwoordig of het aannemelijk is dat ter plaatse van de woning “milieugevolgen van enige betekenis” kunnen worden ondervonden.

Het is aannemelijk dat het geluid van de inrichting hoorbaar zal zijn, maar dit is beperkt doordat er voorschriften zijn verbonden aan het gebruik van de mobiele puinbreker, de houtshredder en de rotorbreker. Daarbij is mede van belang dat het verkeerslawaai op het gedeelte van de weg die tussen de inrichting en de percelen ligt relatief hoog is. Verder is niet aannemelijk dat er piekgeluiden hoorbaar zullen zijn in die mate en frequentie dat sprake is van gevolgen van enige betekenis. Ook de verkeersstromen van en naar de inrichting creëren geen belanghebbendheid, omdat die verkeersbewegingen in dit geval niet te onderscheiden zijn van het overige verkeer op de weg. Appellant heeft daarom geen persoonlijk belang bij het besluit tot vergunningverlening.