Jurisprudentie juni 2018

Judith Doorschot en Ronald Gijsel (M+P), juni 2018

(Daniëlla Nijman is met verlof. Judith Doorschot en Ronald Gijsel vervangen haar de komende maanden.)

Verkeerslawaai

Horst aan de Maas, ABRvS, 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1686

Deze zaak betreft het bestemmingsplan ‘Recreatiepark Kasteel Ooijen’, dat is vastgesteld door de raad en waartegen beroep is ingesteld. De appellanten wonen allen in de omgeving van het plangebied, op afstanden van ongeveer 20 tot 230 m van de plangrens. Hun beroepsgronden komen er op neer dat de camping en de jachthaven het rustieke landschap zullen aantasten en voor verkeers-, licht- en geluidoverlast zullen zorgen.

Over de ontsluitingsweg van de jachthaven overweegt de Afdeling dat het aannemelijk is dat ter plaatse van de woning, die op circa 22 m afstand staat van de gronden met een bestemming die voorziet in de weg, verkeersgeluid van die weg waarneembaar is. Het bestreden besluit geeft er geen blijk van dat hiermee rekening is gehouden en dat is beoordeeld of deze geluidbelasting aanvaardbaar kan worden geacht. De appellanten krijgen op dit punt gelijk.

Vlaardingen, ABRvS, 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1868

Het bestemmingsplan "Marathonweg - Spoorkruising" voorziet hoofdzakelijk in een nieuw aan te leggen ongelijkvloerse kruising van de Marathonweg met de spoorlijn Rotterdam-Hoek van Holland in Vlaardingen.

Voor het plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Kuiper Compagnons waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 11 maart 2016.

Appellanten voeren aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de geluidbelasting van het bedrijfspand. De appellanten stellen dat onduidelijk is hoe in het nader onderzoek rekening wordt gehouden met de voorgenomen ontwikkeling. Ook stellen zij dat het akoestisch onderzoek geen rekening houdt met de toename van de geluidbelasting als gevolg van het afremmen en optrekken van verkeer bij de rotonde.

De Afdeling stelt echter vast dat op de kaarten van de nieuwe situatie de rotonde te zien is die met het voorliggende plan mogelijk wordt gemaakt. Ook is vermeld dat het gaat om de situatie in 2030 met toepassing van stil wegdek. Verder is vermeld welke geluidbelastingen op de gevels van het bedrijfspand zijn berekend. Voor het overige zijn in het rapport van Kuiper Compagnons van 11 maart 2016 de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek vermeld. Appellanten hebben niet geconcretiseerd welke gegevens nog zouden ontbreken. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

In het rapport van Kuiper Compagnons van 11 maart 2016 staat dat het akoestisch onderzoek is uitgevoerd met gebruikmaking van Standaardrekenmethode 2. Dat methode bevat een zogenoemde optrektoeslag. Die is toegelicht in paragraaf 2.5 van bijlage III van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Hier staat onder meer: "De optrekcorrectie ΔLOP is een correctieterm ten gevolge van het afremmen en optrekken van het verkeer door de aanwezigheid van een kruispunt of een situatie die de gemiddelde snelheid van het verkeer sterk beperkt." Gelet hierop mist het betoog feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat geen rekening is gehouden met optrekkend en afremmend verkeer.

Ook het betoog dat het plan leidt tot een onaanvaardbare toename van de geluidbelasting, wordt niet onderschreven door de Afdeling. Er is weliswaar een toename, maar de geluidbelasting blijft lager dan de maximale ontheffingswaarde.

NB. Voor de vraag of rekening wordt gehouden met optrekkend en afremmend verkeer, volstaat volgens deze uitspraak blijkbaar de verwijzing naar Standaardrekenmethode 2. Uit de uitspraak blijkt niet of de Afdeling heeft gecontroleerd of die optrektoeslag ook daadwerkelijk is toegepast in het akoestisch onderzoek.

Coevorden, ABRvS, 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1967

Deze zaak betreft de verdubbeling van de N34 en gaat tussen een aantal appellanten en de gemeenteraad die het bestemmingsplan heeft vastgesteld. In een tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad binnen 13 weken een oordeel dient te geven over de belangenafweging over de gestelde verslechtering van de lucht- en geluidsituatie bij de appellanten. Bij dit oordeel moeten de aspecten worden betrokken die niet geregeld zijn in de Wet geluidhinder, zoals de geluidsituatie in de tuin en het boshuis. De raad heeft vervolgens het betreffende besluit gehandhaafd onder aanvulling van de gevraagde belangenafweging. De raad vindt de verslechtering van de lucht- en geluidsituatie niet onaanvaardbaar.

De appellanten trekken diverse cijfers uit het akoestisch onderzoek in twijfel, zoals kleine verschillen in afstanden van de bebouwing tot de weg in vergelijking met de gemeten aftand, de hoogteligging en de geluidbelasting. De Afdeling ziet in de aangevoerde cijfers echter geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek onjuist zou zijn.

Een van de appellanten betwijfelt de conclusie dat de toename van geluid niet waarneembaar is, omdat op een inloopavond aan de hand van een demonstratie kon worden beluisterd dat sprake zal zijn van een duidelijke geluidtoename. De toenames ten opzichte van de situatie in 2019 zijn ruim lager dan 5 dB en de toekomstige geluidbelasting is ruim lager dan de maximaal onthefbare situatie. In het door de appellant aangevoerde ziet de Afdeling onvoldoende grond om te twijfelen aan de genoemde conclusies uit de onderzoeksrapporten. Het beroep is ongegrond.

Maarsbergen, ABRvS, 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1974

De zaak betreft het bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Maarsbergen Oost’. Appellant vreest met name voor een onaanvaardbare toename van geluidhinder bij zijn woning vanwege een toenemende verkeersintensiteit als gevolg van de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein.

De raad heeft bij de voorbereiding van het plan een akoestisch onderzoek laten uitvoeren. Daaruit blijkt dat, langs zowel het deel van de betreffende weg waar 30 km/uur geldt als daar waar 60 km/h geldt als maximumsnelheid, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Daarmee is het beroep ongegrond.

Gevelisolatie

Bergen op Zoom, ABRvS, 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1703

De gevel van de woning van de appellante wordt belast door wegverkeerslawaai en in opdracht van het college is door bureau NIBAG B.V. onderzocht of de woning in aanmerking komt voor gevelmaatregelen. Conform dat rapport wordt de norm van 43 dB in de woning niet overschreden. Appellante bestrijdt dit, op basis van een tegenrapport dat is opgesteld door DPA Cauberg-Huygen. Daarin wordt gesteld dat in het akoestisch rapport ten onrechte is uitgegaan van te hoge gevelgeluidwering, namelijk met een kierdichtingskwaliteit van 25 dB.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapport NIBAG van een kierdichting in slaapkamer 2 mocht worden uitgegaan. Appellante stelt dat dit niet mogelijk is en dat daarom bij de berekening van de binnenwaarde een lagere kierdichtingsterm van 20 dB had moeten worden aangehouden.

Volgens het deskundigenbericht is in de constructie zoals aangetroffen kierafdichting aan te brengen. Ook de constructietekening in bijlage 2 bij het deskundigenbericht laat volgens dat bericht zien dat kierdichting is aan te brengen. Daarmee is aan de voorwaarde uit de Handreiking voor het aanhouden van een hogere kierdichtingsterm dan 25 dB voldaan. Dat het aanbrengen van een duurzame kierdichting voor een particulier niet mogelijk is volgt naar het oordeel van de Afdeling niet uit het deskundigenbericht en heeft bureau DPA Cauberg-Huygen ook niet aannemelijk gemaakt. Het college heeft terecht besloten dat de woning niet in aanmerking komt voor het aanbrengen van geluidwerende maatregelen.

Industrielawaai

Steenwijkerland, ABRvS, 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1588

In Giethoorn wordt een loskade in gericht ter bevoorrading van percelen die slecht per weg bereikbaar zijn. De loskade komt in de nabijheid van een woning. De eigenaar van de woning maakt bezwaar onder meer vanwege vermeende geluidhinder. De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus zijn hoger dan de standaardgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Het laden en lossen wordt in het Activiteitenbesluit in de dagperiode uitgesloten van toetsing.

De afdeling concludeert dat de loskade ter plaatse onder het afgeven van maatwerkvoorschrift voor 3 jaar toelaatbaar is op basis van de volgende argumenten:

  • dat het voor Giethoorn van groot economisch belang is om een loswal te realiseren;
  • dat de bij het mechanisch laden en lossen optredende geluidbelasting zich alleen in de dagperiode voordoet;
  • dat het aannemelijk is dat het niet mogelijk is om maatregelen te treffen om deze geluidbelasting te beperken;
  • dat verder aannemelijk is dat bij andere woningen dan de woning aan de Kerkweg [...] niet vergelijkbare relatief hoge geluidbelastingen optreden;
  • en dat een alternatieve locatie niet binnen drie jaar beschikbaar is.

Windturbines

Geldermalsen, ABRvS, 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1838

Met betrekking tot laag frequent geluid vanwege windturbines oordeelt de Afdeling:

  • Dat er geen wettelijke normen zijn voor de beoordeling van laagfrequent geluid veroorzaakt door windturbines.
  • Dat uit het deskundigenbericht volgt dat de meeste mensen ongevoelig zijn voor het laagfrequent geluid dat windturbines opwekken.
  • In het deskundigenrapport staat voorts dat in het RIVM uitgebrachte rapport "Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden" is geconcludeerd dat indien aan de artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer vermelde normen kan worden voldaan voldoende bescherming wordt geboden tegen laagfrequent geluid.
  • De Afdeling heeft eerder, onder meer in haar uitspraak over het windpark Wieringermeer van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228, haar uitspraak over het windpark De Veenwieken van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504, en haar uitspraak over het windpark Drentse Monden en Oostermoer van 18 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, de conclusie aanvaard dat windturbines zo weinig laagfrequent geluid produceren, dat ervan kan worden uitgegaan dat de geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer tegen laagfrequent geluid voldoende bescherming bieden.
  • De Afdeling wijst in dit verband erop dat in de uitspraak De Veenwieken is overwogen dat er op dit punt geen wetenschappelijk consensus bestaat over de ontoereikendheid van de geluidnormen neergelegd in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zodat vooralsnog geen reden bestaat niet van die normstelling uit te gaan
  • In aanmerking genomen hetgeen hiervoor is vermeld over het beschermingsniveau van die norm tegen hinder vanwege laagfrequent geluid, ziet de Afdeling geen aanleiding geeft te twijfelen aan de constatering dat naast de beoordeling op grond van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer een afzonderlijke beoordeling van laagfrequent geluid niet noodzakelijk is.
  • De Afdeling komt dan ook tot de slotsom dat ook in dit geval laagfrequent geluid geen aparte beoordeling behoefde.