Jurisprudentie maart 2018

Daniëlla Nijman (Holla Advocaten), 28 maart 2018

Ruimtelijke ordening

Weerselose Markt: ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:822

De Weerselose Markt trekt op zaterdagen 1500 tot 5000 bezoekers. De exploitant wil de marktactiviteiten uitbreiden naar de zondagen. Het bestemmingsplan laat dit niet toe. Het college verleent een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik voor maximaal 26 zondagen per jaar voor een periode van 5 jaar.

Op de markt wordt muziek ten gehore gebracht via hoornspeakers en er vinden muziekoptredens plaats. Dit maakt ook onderdeel uit van de vergunning voor de zondagen. Volgens het college is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat indien aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Aan de etmaalwaarde van 50 dB(A) zou kunnen worden voldaan omdat er alleen achtergrondmuziek hoorbaar is. Een omwonende stelt dat hij duidelijk muziekgeluid hoort en zelfs muziekteksten kan verstaan. Zodra er een toeslag voor muziekgeluid moet worden berekend is er sprake van een overschrijding, namelijk 52 dB(A). Of wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit is dus volledig afhankelijk van het volume van de speakers of de optredende band.

Het college meende dit te hebben afgedekt met een voorschrift in de omgevingsvergunning. Maar in de omgevingsvergunning staat alleen dat uit onderzoek is gebleken dat aan het Activiteitenbesluit “kan worden voldaan”. Dat is nog geen harde verplichting om daadwerkelijk aan die norm te voldoen. Zonder een dergelijke verplichting is volgens de Afdeling geen goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.

De Afdeling lost de zaak eenvoudig op, door alsnog het voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden dat wat betreft geluid aan het Activiteitenbesluit moet worden voldaan.

Ik vraag me af of dit daadwerkelijk noodzakelijk was, of dat de Afdeling voor deze praktische oplossing kiest omdat alle partijen zich hierin konden vinden. Er zijn immers ook veel uitspraken te vinden over ruimtelijke besluiten waarin de Afdeling stelt dat het voldoende is dat aan de normen van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Of dat daadwerkelijk gebeurt is dan een kwestie van handhaving. In de uitspraak is te lezen dat tussen partijen niet in geschil is dat vergunninghouder het Activiteitenbesluit dient na te leven. Het is dan de vraag welke toegevoegde waarde het vergunningsvoorschrift heeft. Wellicht dacht de Afdeling anders over de toepasselijkheid van het Activiteitenbesluit, maar wilde ze niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd treden. In dat geval is dit een charmante oplossing. Vooralsnog zou ik uit deze uitspraak niet de conclusie willen trekken dat voortaan in iedere omgevingsvergunning voor strijdig gebruik een standaardvoorschrift over naleving van het Activiteitenbesluit moet worden opgenomen.

Foodcourt Uden: ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:872

Langs de A50 bij Uden moet een foodcourt komen met fastfoodrestaurants, een tankstation en snelweggerelateerde bedrijvigheid. Een aantal omwonenden vreest voor overlast.

Een van hen doet een beroep op de afstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. Het tankstation komt op 25 meter afstand van haar woning, terwijl de VNG-brochure een richtafstand van 30 meter voorschrijft. Om de aanvaardbaarheid te motiveren is in het geluidrapport het stappenplan uit bijlage 5 van de VNG-brochure toegepast. De richtwaarde voor een rustige woonwijk wordt overschreden op het moment dat het tankstation ’s nachts wordt bevoorraad. De geluidniveaus blijven wel onder de richtwaarden voor gemengd gebied, zodat deze aanvaardbaar worden geacht. Bevoorrading in de nachtperiode is als incidentele bedrijfssituatie aangemerkt en ook als zodanig bestemd in de planregels, zodat daartegen kan worden opgetreden. De hoge piekniveaus van het bevoorraden zijn vanwege dit incidentele karakter ook acceptabel.

Al met al oordeelt de Afdeling dat er geen sprake is van een verslechtering van het woon- en leefklimaat ten opzichte van de autonome situatie. Ook de cumulatieve geluidbelasting verslechtert niet, mits er geluidreducerende maatregelen worden toegepast. In de planregels zijn deze maatregelen allemaal netjes voorgeschreven.

De exploitant krijgt enige tijd om alle maatregelen te treffen. Dat hoeft namelijk pas een jaar na verlening van de omgevingsvergunning te zijn gebeurd. Dit is volgens de Afdeling niet onredelijk omdat het aannemelijk is dat de voorziene ontwikkelingen pas na die termijn in gebruik zullen worden genomen.

Tijdelijke huisvesting studenten op industrieterrein: ABRvS 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:884

De wetgever is de afgelopen jaren tegemoet gekomen aan de wens om tijdelijk geluidgevoelige functies mogelijk te maken in leegstaande gebouwen, zonder aan de eisen van de Wet geluidhinder te voldoen. Met een zogeheten kruimelontheffing kan bijvoorbeeld worden toegestaan dat er wordt gewoond in een voormalig kantoorpand. Toetsing aan de Wet geluidhinder mag achterwege blijven indien het gebruik tijdelijk is. Tijdelijk is een ruim begrip, namelijk een periode van maximaal 10 jaar.

Dat de wet dergelijke mogelijkheden biedt, wil echter niet zeggen dat de gemeente verplicht is daaraan mee te werken. Dat laat deze uitspraak zien. De gemeente heeft nog steeds de verantwoordelijkheid om te beoordelen of het plan in kwestie aanvaardbaar is.

In dit geval gaat het om een pand op een gezoneerd industrieterrein. De eigenaar wil daar graag buitenlandse studenten huisvesten voor de duur van een collegejaar. Hij vraagt een vergunning aan voor een periode van 5 jaar. De gemeente weigert de vergunning, omdat er geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Volgens het zonebeheerprogramma bedraagt de geluidbelasting op het pand 60 dB(A) in de dagperiode. Dat de studenten er slechts tijdelijk zullen verblijven betekent niet dat zij niet hoeven te worden beschermd tegen geluidhinder. De Afdeling is het met de gemeente eens dat er sprake is van een geluidgevoelig gebouw. Omdat het op een gezoneerd industrieterrein ligt, is er geen bescherming via het Activiteitenbesluit of de Wet geluidhinder. Vanuit een goede ruimtelijke ordening heeft de gemeente niettemin mogen weigeren om medewerking te verlenen aan een tijdelijke vergunning.

Planschade

Planschade Omlegging Amstelhoek: ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:971

Het college van Amstelveen heeft op verzoek van GS van Noord-Holland een vrijstelling ex artikel 19 WRO (oud) verleend voor de omlegging van de N201. De eigenaar van een naastgelegen perceel heeft verzocht om vergoeding van planschade. In deze beroepsprocedure zijn het vooral het college en GS die met elkaar in de clinch liggen. Het college moet beslissen op het planschadeverzoek, maar GS zal uiteindelijk de rekening betalen. Zij zijn het niet eens over de manier waarop de nieuwe maximale geluidsbelasting moet worden berekend en van welke verkeersintensiteiten moet worden uitgegaan.

De Afdeling begint met de hoofdregel. Als het gaat om de aanleg van een weg, moet een vergelijking worden gemaakt tussen de maximale geluidsbelasting die kan optreden onder het oude en het nieuwe planologische regime. De feitelijke geluidsbelasting is niet van belang, het gaat om de planologische mogelijkheden. Het bestuursorgaan moet bij de beoordeling van de maximale bouw- en gebruiksmogelijkheden onder het nieuwe planologische regime op de peildatum uitgaan van een reële prognose van het maximaal aantal te verwachten motorvoertuigen per rijstrook en per tijdseenheid en de daarmee gemoeide geluidsbelasting. Aan de hand daarvan moet worden onderzocht of die belasting zodanig is, dat het nieuwe regime tot planologische verslechtering met een daaruit voortvloeiende waardevermindering van de woning heeft geleid.

Een planschadeverzoek wordt dus op een andere manier getoetst dan het ruimtelijke besluit waarmee de aanleg van de weg mogelijk is gemaakt. Het ruimtelijke besluit wordt vooral getoetst aan de normen van de Wet geluidhinder. In het kader van planschade wordt gekeken naar de maximale invulling. Dat kan betekenen dat van een hogere maximale geluidbelasting moet worden uitgegaan dan in de ruimtelijke procedure. Deze geluidbelasting kan zelfs hoger zijn dan een vastgestelde hogere waarde.

Wat is nu een reële verkeersprognose? Volgens de gemeente moet voor de toekomstige situatie in 2020 rekening worden gehouden met het voornemen om het voormalige N201-tracé in het dorpscentrum geheel af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer. Daardoor komt er aanzienlijk meer verkeer langs het perceel van appellanten, een toename van 63%. GS vinden dat deze voorgenomen afsluiting buiten beschouwing moet worden gelaten omdat het nog niet voldoende concreet is. Zo is er nog geen verkeersbesluit genomen voor de afsluiting. De Afdeling oordeelt onder verwijzing naar collegebesluiten en beleidsdocumenten dat de gemeente voldoende concrete voorbereidingen heeft getroffen, waardoor het aannemelijk is dat de weg in het dorpscentrum in 2020 zal zijn afgesloten. Er is op dit punt terecht een hoger schadebedrag toegekend door het college.

Handhaving

Ritueel slachten Maasdriel: ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:749

Het slachthuis in Kerkdriel verwerkt een grote hoeveelheid schapen in de periode rond het offerfeest. Het college heeft een last onder dwangsom opgelegd omdat de in de omgevingsvergunning opgenomen grenswaarden worden overschreden. Per overtreding wordt een dwangsom van € 20.000 verbeurd. Het college is overgegaan tot invordering van € 60.000 aan dwangsommen.

Het slachthuis stelt dat er ten onrechte twee dwangsommen worden ingevorderd voor de geluidemissie van het storten van slachtafval. Laad- en losactiviteiten zijn namelijk uitgezonderd van het vergunningsvoorschrift. Volgens het college ontbreekt een direct verband tussen het laden van de container en de afvoer van het slachtafval, nu die afvoer pas aan het einde van de dag plaatsvindt. De Afdeling ziet het storten van slachtafval wel als laden en lossen. Het slachtafval wordt namelijk in verrijdbare containers gestort, die gedurende de dag naar een gereedstaande container/vrachtwagen worden gereden. Vervolgens worden de bakken opgetakeld en boven de containerwagen geleegd. Aan het einde van de dag wordt het slachtafval afgevoerd. Het gaat dus om het laden van de containerwagen ten behoeve van de afvoer van het slachtafval buiten de inrichting. Dit is volgens de Afdeling iets anders dan tijdelijke opslag of interne overslag van goederen binnen de inrichting. Dat scheelt het slachthuis € 40.000 aan dwangsommen.

De derde dwangsom is verbeurd vanwege de geluidemissie van het opbouwen van het hooibalenscherm. Dit scherm is bedoeld om geluidhinder te beperken. Het opbouwen ervan is volgens het slachthuis een incidentele bouwactiviteit die niet onder de werking van de omgevingsvergunning milieu valt. Volgens het college valt dit onder de incidentele bedrijfssituatie – namelijk het ritueel slachten – waarvoor specifieke geluidsvoorschriften zijn opgenomen in de omgevingsvergunning. De Afdeling oordeelt dat een redelijke uitleg van het vergunningsvoorschrift meebrengt dat onder de incidentele bedrijfssituatie ook daaraan verwante activiteiten worden begrepen. Het opbouwen en afbreken van het hooibalenscherm gebeurt specifiek voor het ritueel slachten van schapen en deze activiteit keert jaarlijks terug. Dat is niet op een lijn te stellen met bouwactiviteiten voor bijvoorbeeld het oprichten van de inrichting. Deze € 20.000 moet het slachthuis dus wel betalen.

Procedureel

Belanghebbendheid bij windturbines op land: ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:860

Om ontvankelijk te zijn in een beroepsprocedure moet iemand belanghebbende zijn. In milieukwesties wordt daarvoor gekeken of iemand milieugevolgen “van enige betekenis” ondervindt.

De Afdeling komt met een concrete regel voor windparken op land. Er kunnen gevolgen van enige betekenis zijn binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de dichtstbijzijnde windturbine. Dit moet worden gemeten vanaf de voet van de windturbine. De Afdeling gaat ervan uit dat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel geen geluidhinder van enige betekenis is te verwachten. Dat er in open landschap buiten deze afstand nog wel zicht op de windturbines kan zijn, maakt iemand niet alsnog tot belanghebbende.

Nieuwe deskundige voor camping Sluis: ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:955

Het bestemmingsplan maakt de herinrichting en uitbreiding van een camping mogelijk. In een eerdere tussenuitspraak heeft de Afdeling opdracht gegeven aan de gemeente om nader geluidonderzoek te doen. Er was namelijk niet naar de exacte kadastrale begrenzing van de percelen gekeken, waardoor de geluidsniveaus in de tuinen onjuist waren berekend.

De omwonenden stellen dat de gemeente ten onrechte hetzelfde bureau heeft ingeschakeld voor dit nader onderzoek. De Afdeling vindt het geconstateerde gebrek daarvoor niet ernstig genoeg. Het aanvullend rapport blijkt echter wederom gebreken te bevatten. De uitkomsten verschillen ten opzichte van het eerste rapport, maar dat valt niet te verklaren door de veranderde uitgangspunten. Er is nu een overschrijding op een van de toetspunten, terwijl in het nieuwe onderzoek juist rekening is gehouden met een verlengde geluidswal. De gemeente heeft ter zitting uitgelegd wat er is veranderd, maar die verklaring wijkt af van wat er in de stukken staat. Ook hebben de omwonenden niet afdoende kunnen reageren op de nieuwe informatie. De Afdeling constateert dat de akoestische gevolgen nog steeds onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt.

De Afdeling past in deze zaak voor een tweede keer de bestuurlijke lus toe. Nu vindt de Afdeling wel dat het in de rede ligt dat de gemeente een andere deskundige verzoekt om nader advies uit te brengen.