|
Jurisprudentie oktober 2017 |
|
Daniella Nijman (Holla Advocaten), oktober 2017 Onderstaand komen de meest relevante uitspraken van de Raad van State aan bod over geluidszaken. Enkele uitspraken hebben betrekking op ruimtelijke ordening, er is een uitspraak over een omgevingsvergunning en ten slotte een over reflectie en zichthinder door geluidschermen bij een Tracéwetprocedure. Wilt u snel bijgepraat worden over de belangrijkste jurisprudentie van 2017? Op het GTL-congres geeft Daniëlla Nijman op 7 november een overzicht van de meest relevante uitspraken van dit jaar, met een focus op industrielawaai. Ruimtelijke ordening Herinrichting Bemmelse Waard: ABRvS 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2654 Het bestemmingsplan voorziet in de herinrichting van de Bemmelse Waard in het kader van Ruimte voor de Rivier. Onderdeel hiervan is het opruimen van twee oude fabrieksterreinen en de aanleg van een nieuw terrein met een overslaglocatie om transport over de Waal te faciliteren. Er wordt zand en grind gewonnen uit de rivier en veredeld in de zandscheidingsinstallatie op het terrein. Volgens de gemeenteraad zijn de omwonenden niet-ontvankelijk, omdat zij te ver weg wonen. Zij wonen op 330 tot 370 meter afstand tot de bestemming Water waar bedrijfsverkeer te water mogelijk is. Ze wonen op 490 tot 530 meter afstand tot de nieuwe bedrijfsbestemming. Volgens de Afdeling zijn zij wel belanghebbenden, omdat het gezien de aard en omvang van de voorziene ruimtelijke ontwikkeling op voorhand niet is uitgesloten dat zij ruimtelijke gevolgen van enige betekenis – zoals bijvoorbeeld geluidhinder – kunnen ondervinden op hun percelen. Of ze al dan niet zicht hebben op het plangebied maakt niet uit. De omwonenden vrezen daarnaast voor aantasting van het stiltegebied. Zij wonen in het stiltegebied De Oude Waal. De gronden in het plangebied zijn echter niet als stiltegebied aangewezen. De regels uit de Omgevingsverordening Gelderland zijn daardoor niet rechtstreeks van toepassing. Niettemin moet de gemeenteraad in het kader van een goede ruimtelijke ordening aandacht besteden aan de invloed van het plan op de omgeving. Uit akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting op woningen aan de rand van het stiltegebied 40 dB(A) bedraagt. Dit heeft de gemeenteraad als een niet noemenswaardig effect mogen kwalificeren. Verkeershinder camping Thorn: ABRvS 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2683 De camping in Thorn wordt getransformeerd. In plaats van 75 kampeerplaatsen komen er 45 verplaatsbare chalets. De horecavoorziening wordt zelfstandig. Het aantal verkeersbewegingen zal daardoor toenemen. De gemeente heeft niet onderzocht wat het effect is op de woning van appellanten aan de Beekstraat, omdat het verkeer daar al is opgegaan in het heersende verkeersbeeld. In dit geval gaat het echter niet om vergunningverlening in het milieuspoor, maar de vaststelling van een ruimtelijk plan. De Afdeling overweegt echter dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning moet worden beoordeeld. Dat geldt te meer nu de Beekstraat smal is, de woningen dicht op de weg staan en het wegdek bestaat uit kobbelkeien. Een hoge stenen muur aan de overkant van de woning zorgt bovendien voor reflectie. Omdat er geheel geen onderzoek is gedaan, is het bestemmingsplan onzorgvuldig voorbereid. De bewoonster heeft zelf wel een akoestisch rapport laten opstellen. Daaruit volgt dat er in de bestaande situatie al sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde uit de zogeheten Schrikkelcirculaire. Het geluidniveau neemt in de dagperiode toe met 4 dB(A) en in de avond- en nachtperiode met 8 dB(A). Volgens de gemeenteraad is dit onderzoek ondeugdelijk, maar deze stelling wordt niet met een deskundig rapport onderbouwd. De gemeente krijgt de kans om dit alsnog te doen, doordat de Afdeling de bestuurlijke lus toepast. Binnen 26 weken moet de gemeenteraad de geluidhinder alsnog beoordelen en inzichtelijk maken wat de betekenis is voor het woon- en leefklimaat van appellanten. Uitbreiding bedrijventerrein Ochten: ABRvS 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2760 Het bedrijventerrein De Heuning in Ochten wordt uitgebreid. Twee omwonenden vrezen voor geluidhinder vanwege de komst van een touringcar-/transportbedrijf naast hun woningen. De Afdeling beoordeelt of wordt voldaan aan de richtafstanden van de VNG-brochure. De gemeenteraad is terecht uitgegaan van de kortere afstanden voor gemengd gebied, omdat de woningen naast het bestaande bedrijventerrein liggen en er ook een agrarisch bedrijf is gevestigd. Voor de eerste omwonende betekent dit dat toch aan de richtafstanden wordt voldaan. De gemeenteraad heeft zonder aanvullend akoestisch onderzoek mogen aannemen dat er sprake zal blijven van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de tweede omwonende ligt dat anders. Deze persoon woont in een bedrijfswoning op het bedrijventerrein. In de nieuwe situatie mogen bedrijven uit milieucategorie 3.2 op kortere afstand van zijn woning worden gevestigd. De afstand wordt verkleind van 80 meter tot 23 meter, terwijl de VNG-brochure een richtafstand van 50 meter voorschrijft. Er is akoestisch onderzoek verricht naar de impact van het touringcar-/transportbedrijf. Er kan net aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit worden voldaan (met piekniveaus in de nachtperiode van 64 dB(A)). Het bestemmingsplan staat echter ook de vestiging van andere bedrijven toe. Wat als er een ander bedrijf komt? De gemeenteraad heeft niet voldoende gemotiveerd dat de beoogde bedrijfsvoering van het touringcar-/transportbedrijf de voor deze omwonende meest nadelige invulling van het plangebied is. Er zal dus nader akoestisch onderzoek moeten worden uitgevoerd. De Afdeling past de bestuurlijke lus toe en stelt de gemeenteraad in de gelegenheid binnen 26 weken een nadere motivering te geven of het plan aan te passen. Supermarkt Schaijk: ABRvS 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2784 De gemeente Landerd wil het centrumgebied van Schaijk herstructureren. De winkels die nu nog verspreid liggen in Schaijk worden gebundeld in het centrum. De aanwezige supermarkt wordt ook verplaatst. Omwonenden maken bezwaar vanwege de geluidsoverlast van het parkeerterrein, winkelwagens, laden en lossen, etcetera. De geluidsbelasting is in kaart gebracht met akoestisch onderzoek en enkele oplegnotities. Op parkeerterreinen is de Wet geluidhinder niet van toepassing. De gemeente heeft de activiteiten op het parkeerterrein daarom aangemerkt als indirecte hinder en sluit voor de beoordeling aan bij de Schrikkelcirculaire. Deze circulaire is bedoeld voor de beoordeling van geluid van wegverkeer bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu. De Afdeling acht het echter niet onredelijk dat de gemeente bij de normstelling uit deze Schrikkelcirculaire aansluit om te beoordelen of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Een geluidniveau binnen de bandbreedte tussen de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en de maximale grenswaarde van 65 dB(A) wordt volgens de circulaire acceptabel geacht. De geluidbelasting vanwege het parkeerterrein neemt duidelijk toe, maar blijft binnen deze bandbreedte. De toename is daarom niet onaanvaardbaar. Het geluid van het wegverkeer, de bevoorrading van de supermarkt, geluidpieken door dichtslaande portieren en het gebruik en legen van glascontainers wordt ook aan deze norm van 65 dB(A) getoetst. Hetzelfde geldt voor de cumulatieve geluidbelasting. Die bedraagt 62 dB(A). Het is weliswaar een toename, maar blijft wederom binnen de norm van 65 dB(A). De raad heeft deze geluidbelasting daarom aanvaardbaar mogen achten. Een omstandigheid die de raad daarbij heeft mogen meewegen is dat er sprake is van een centrumgebied, waar de aanwezigheid van detailhandel gebruikelijk is. Wabo milieu Milieuneutrale wijziging diervoederfabriek: ABRvS 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2832 Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de verbouw van een diervoederfabriek. Er komt een dakopbouw met daarin een coater voor het mengen van producten tot diervoeding. Het college heeft deze wijziging aangemerkt als een milieuneutrale verandering, waardoor de omgevingsvergunning eenvoudig met de reguliere procedure is verleend. Appellanten stellen dat er helemaal geen sprake is van een milieuneutrale verandering. Artikel 3.10 lid 3 Wabo stelt immers als voorwaarde dat de wijziging niet mag leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan. De geldende omgevingsvergunning schrijft voor dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avond niet meer mag bedragen dan 44 dB(A) en in de nachtperiode 39 dB(A). De nieuwe activiteiten leiden tot geluidniveaus van 44,9 dB(A) in de avond en 40,3 dB(A) in de nacht. De vergunninghouder brengt hiertegen in dat de voorschriften uit de geldende omgevingsvergunning een kennelijke verschrijving bevatten. Uit de bijbehorende aanvraag zou volgen dat de bestaande activiteiten al meer geluid produceren. De Afdeling gaat daar niet in mee. Of het nu een verschrijving is of niet, de vergunning is rechtsgeldig. En dus is het aanbrengen van de coater geen milieuneutrale wijziging. Het college is niet voor een gat te vangen. Appellanten hadden waarschijnlijk verwacht dat de vergunning nu met de uitgebreide procedure zou worden voorbereid en ze daar nog uitgebreide inhoudelijke discussies zouden kunnen voeren. In plaats daarvan kiest het college ervoor om het voorschrift behorende bij de geldende omgevingsvergunning te wijzigen. De zogeheten verschrijving wordt ongedaan gemaakt en de norm wordt gesteld op 45 dB(A) in de avond en 40 dB(A) in de nachtperiode. Zodra die wijziging in werking is getreden wordt de milieuneutrale wijziging opnieuw vergund. Nu klopt het immers wel. De Afdeling keurt deze handelwijze goed. De appellanten in kwestie vangen bot in hun beroep tegen de wijziging van het vergunningsvoorschrift en vissen vervolgens achter het net bij de milieuneutrale wijziging. De nieuwe geluidbelasting van 40,3 dB(A) in de nacht mag worden afgerond op het gehele getal van 40 dB(A) uit de vergunning en is dus niet hoger dan al vergund. Tracéwet Planschade geluidschermen A73 Venlo: ABRvS 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2802 en ECLI:NL:RVS:2017:2805 Omwonenden van de A73-Zuid in Venlo hebben een verzoek om schadevergoeding ingediend bij de Minister vanwege de vaststelling van het tracébesluit Rijksweg A74. Het tracébesluit maakt de aanleg van de A74 mogelijk, tussen de A73-Zuid en de Duitse grens. Het tracébesluit voorziet ook in aanpassingen aan de A73-Zuid. Appellanten stellen schade te lijden doordat de geluidoverlast in en buiten de woningen is toegenomen, onder andere door reflectie. Daarnaast hebben zij nu uitzicht op geluidschermen van maar liefst 15 meter hoogte. Wat volgt is een ingewikkelde discussie over de vergelijking van de situatie voor en na het tracébesluit. Het gaat niet om een feitelijke vergelijking. De hamvraag is wat onder het oude planologische regime de meest nadelige situatie was, vergeleken met de meest nadelige invulling van het tracébesluit. Feitelijk stonden er geen geluidschermen langs de A73-Zuid, maar het bestemmingsplan dat destijds voor de aanleg van de A73 is vastgesteld staat wel toe dat er geluidschermen van 15 meter hoog worden gebouwd. Dat de bouw van een dergelijk scherm in de oude situatie niet doelmatig was, betekent niet dat de realisatie van die planologische mogelijkheid met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten. Tot zover heeft de Minister terecht geoordeeld dat er geen planologische nadeel is, maar… …de omwonenden stellen ook geconfronteerd te worden met een toename van reflectiegeluid. Voor die schadefactor stelt de Minister dat bij de meest ongunstige invulling van het bestemmingsplan geluidschermen van 2 meter hoogte zouden zijn gerealiseerd. Op basis van dat uitgangspunt concludeert de Minister dat de omwonenden geen relevant nadeel lijden. De Afdeling oordeelt dat deze denklijn tegenstrijdig is. Er kan in de oude situatie niet tegelijkertijd een geluidscherm van 2 meter hoogte als een geluidscherm van 15 meter hoogte staan. De Minister mag niet per schadefactor (uitzicht en geluidoverlast van verkeersbewegingen) een andere invulling geven aan het oude planologische regime. Om het nog moeilijker te maken, stelt de Afdeling dat de Minister moet beoordelen welke schadefactor het meest bepalend is voor de schade. Als dat het uitzicht is, dan moet de Minister voor de gehele vergelijking uitgaan van schermen van 15 meter hoogte. Is verkeerslawaai en reflectie de bepalende factor, dan moet de Minister uitgaan van schermen van 2 meter hoogte. Dat reflectiegeluid niet objectief meetbaar is, ontslaat de Minister bovendien niet van de plicht om de schade te begroten. Het staat namelijk vast dat de reflectie hoorbaar is, zodat een redelijk denkend en handelend koper daar rekening mee zal houden. Het zal niet verbazen dat de Afdeling de Minister opdraagt om nader advies van een deskundige in te winnen alvorens opnieuw op de schadeverzoeken te beslissen. |
| footer |