|
Overzicht jurisprudentie juni-juli 2017 |
|
Daniëlla Nijman (Holla Advocaten), juli 2017 Ruimtelijke ordening Woonboten Amsterdam: ABRvS 12 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1886 Aan de Diemerzeedijk liggen sinds de jaren tachtig zes woonboten. De woonboten liggen er illegaal, zonder ligplaatsvergunning. Wel is op enig moment een gedoogbeschikking afgegeven in afwachting van de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. Inmiddels is het moment daar. De gemeente heeft aan het gebied de bestemming Water toegekend, zonder daarin de ligplaatsen als zodanig te bestemmen. De gemeente stelt onder andere dat er geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd vanwege de ligging nabij de A10. De woonbootbewoners stellen dat zij geen geluidsoverlast ervaren. Deze subjectieve beleving is voor de Afdeling echter niet doorslaggevend. De ligplaatsen zijn geluidsgevoelige terreinen in de zin van het Besluit geluidhinder. Ze liggen binnen de onderzoekszone van de A10. Er zijn geluidmetingen gedaan tot 62 dB. Dat is ver boven zowel de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Bronmaatregelen zoals stil asfalt of snelheidsbeperkingen zijn niet aan de orde, omdat deze onvoldoende effectief en te kostbaar zijn in verhouding tot het aantal woonboten. Het aanbrengen van een dove gevel op een woonboot is ook niet eenvoudig toepasbaar, nog los van de vraag of dit van toepassing is op een geluidgevoelig terrein. Dan resteert de optie van een geluidscherm. Met de benodigde lengte van 940 m en 6,5 m hoogte kost dat € 3.000.000,--. Dat is te kostbaar in verhouding tot het aantal woonboten. De Afdeling oordeelt dat de gemeente zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Wet geluidhinder zich verzet tegen het als zodanig bestemmen van de woonboten. Stemgeluid vakantiewoning Leerdam: ABRvS 12 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1895 Het bestemmingsplan voorziet in een vakantiewoning met tuinterras, geschikt voor 25 recreanten. Omwonenden vrezen voor overlast van onder andere stemgeluid. In een tussenuitspraak heeft de Afdeling eerder geoordeeld dat het stemgeluid niet goed is onderzocht. Voor de berekening van het geluid was gebruik gemaakt van de Duitse VDI-richtlijn 3770. Uitgangspunt van die richtlijn is dat de helft van het aantal personen op een terras tegelijk spreekt. Het akoestisch rapport ging echter uit van een kwart, terwijl niet was toegelicht waarom van dit uitgangspunt is afgeweken. Inmiddels is het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. Het stemgeluid is nader beoordeeld door de optredende geluidniveaus af te zetten tegen de grenswaarde van 50 dB(A) van het Activiteitenbesluit en de richtwaarde van 40 dB(A) uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Deze zijn als een soort referentiewaarde gebruikt. De grenswaarde van het Activiteitenbesluit wordt alleen overschreden wanneer er particuliere recreanten met kinderen zijn die allemaal gelijktijdig schreeuwen. De richtwaarde van de Handreiking kan worden overschreden indien de volwassenen zich niet geconcentreerd op het terras bevinden, maar verspreid over het terrein. De optredende geluidniveaus worden aanvaardbaar geacht, o.a. omdat spelende kinderen een onderdeel vormen van het woonklimaat in het buitengebied van Leerdam. In de uitspraak volgt een uitvoerige verhandeling over de uitgangspunten van het akoestisch rapport, de bronvermogens van het stemgeluid, de bronhoogtes, de representatieve bedrijfssituatie en de noodzaak om de geluidhinder ook in de tuin van de appellanten te beoordelen. De uitspraak is lezenswaardig omdat de beoordeling van het stemgeluid op een zeldzaam uitgebreide manier wordt besproken. De aangevulde akoestische onderbouwing houdt stand. Crisis- en herstelwet Bestemmingsplan met verbrede reikwijdte Soesterberg-Noord: ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1709 Het plan voorziet in de transformatie van het bedrijventerrein nabij de voormailige vliegbasis Soesterberg. Nu de vliegbasis gesloten is vormen de geluidcontouren geen belemmering meer voor woningbouw. In verband met de milieubelasting op deze nieuwe woningen bevat het plan beperkingen voor de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven. Er zijn regels gesteld om de geluidruimte van een aantal bedrijven te beperken. De uitspraak geeft inzicht in de manier waarop moet worden omgegaan met de beperking van bestaande uitbreidingsmogelijkheden. De gemeente moet zorgvuldig te werk gaan en goed kunnen motiveren waarom een beperking aanvaardbaar is. Eén van de bedrijven heeft al voor de vaststelling van het bestemmingsplan kenbaar gemaakt dat zij haar bedrijfsactiviteiten wil intensiveren. Sommige activiteiten zijn daardoor niet meer incidenteel en gaan onder de representatieve bedrijfssituatie vallen. De beoogde woningbouw vormt daarvoor een belemmering. De Afdeling oordeelt dat de gemeente de belangen van dit bedrijf onvoldoende in de belangenafweging heeft betrokken. Relevant is dat de uitbreidingsplannen tijdig kenbaar zijn gemaakt. Ook blijkt er voorlopig weinig terecht te komen van de gewenste verplaatsing van het bedrijf, waardoor het bedrijf nog lange tijd op de huidige locatie gevestigd kan zijn. Ook die omstandigheid had de gemeente bij de belangenafweging moeten betrekken. Het bestemmingsplan is in zoverre onzorgvuldig vastgesteld. Een ander bedrijf voert aan dat de transformatie van het bedrijventerrein een probleem voor haar bedrijfsvoering oplevert, omdat een nabijgelegen woning niet langer kan worden aangemerkt als een woning op een bedrijventerrein. Door de transformatie naar een woongebied wordt dit een normale woning. Daarvoor geldt op basis van het Activiteitenbesluit een geluidnorm die 5 dB(A) strenger is. De gemeente is voornemens dit op te lossen door via maatwerkvoorschriften een hogere geluidbelasting toe te staan. In principe kan worden volstaan met een norm van 51 dB(A) op de normale dagen en 53 dB(A) op de dagen dat stikstof wordt geleverd. Daarnaast zullen maatregelen verplicht worden gesteld waardoor aan deze geluidnorm kan worden voldaan. Het bedrijf maakt zich niettemin zorgen, omdat de maatwerkvoorschriften nog niet zijn opgelegd en het dus onzeker is of ze stand zullen houden. De Afdeling oordeelt dat de gemeente hierop vooruit mag lopen, omdat het voldoende aannemelijk is dat de maatwerkvoorschriften kunnen worden opgelegd. Ook is met akoestisch onderzoek aannemelijk gemaakt dat het bedrijf de nog te stellen maatwerkvoorschriften kan naleven. Activiteitenbesluit Maatwerkvoorschrift windturbines Rotterdam: ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1689 Het college heeft twee maatwerkvoorschriften vastgesteld voor het windturbinepark Hartelbrug II te Rotterdam om de geluidhinder in de nachtperiode te beperken. Het Activiteitenbesluit schrijft standaard een geluidnorm voor van 41 dB Lnight. In aanvulling daarop heeft het college voor de nachtperiode een grenswaarde gesteld voor het equivalente geluidsniveau die is toegesneden op de windrichting en windsnelheid per tijdseenheid van 10 minuten, LAeq[10min] in dB(A). De exploitant voert aan dat het Activiteitenbesluit weliswaar een grondslag biedt om een norm met een andere waarde vast te stellen, maar dat dit geen andere eenheid mag zijn dan dB Lden of dB Lnight. De rechtbank ziet geen reden om deze gecombineerde normstelling niet toe te staan. De Afdeling denkt daar anders over en geeft de exploitant gelijk. In het Activiteitenbesluit is er namelijk heel bewust voor gekozen om niet langer de dosismaat dB(A) te hanteren, maar de Europese dosismaten dB Lden en dB Lnight. De bedoeling hiervan is om een grotere eenduidigheid te krijgen in de eisen die gesteld worden aan de geluidproductie van windturbines, met een eenvoudiger uit te voeren en te handhaven berekenings- en beoordelingsmethodiek. Deze keuze zou worden doorkruist als bij maatwerkvoorschrift weer van die dosismaten zou kunnen worden afgeweken. De Afdeling haalt eveneens een streep door het maatwerkvoorschrift waarmee de plaatsing van een windmeter werd voorgeschreven ter aansturing van de windturbines. Het Activiteitenbesluit biedt geen grondslag om een middelvoorschrift op te leggen. |
| footer |