|
Redactie, 24 februari 2015
Staatssecretaris Mansveld van Infrastructuur en Milieu laat
nader onderzoek doen naar de overlast van trillingen door
treinverkeer. Dit naar aanleiding van het RIVM rapport ‘wonen
langs het spoor’, dat een eerste inzicht geeft van deze overlast.
Afgelopen jaren zijn vijfduizend omwonenden ondervraagd die dicht
bij het spoor wonen. Een vijfde gaf aan last te ondervinden van
trillingen door passerende treinen. In een brief aan de Tweede
Kamer schrijft de staatssecretaris nu dat het rapport aanleiding
is om trillingshinder beter in beeld te krijgen. De overlast is
moeilijk in te schatten en te berekenen, omdat het afhankelijk is
van veel factoren zoals bodemsoort en bebouwing.
Conclusies RIVM
Uit het RIVM rapport blijkt de staatssecretaris dat vooral
omwonenden in het oosten van Nederland en in niet-stedelijke
gebieden de overlast sterker ervaren dan gemiddeld. Ook worden
trillingen door goederenvervoer heftiger ervaren dan door
reizigerstreinen. Feitelijk zijn deze bevindingen - opnieuw
volgens de staatssecretaris - nog niet vastgesteld en ook zijn de
algemene uitkomsten van het onderzoek niet te vertalen naar
lokaal- of tracéniveau. Naast een vervolgonderzoek dat hier meer
inzicht in moet geven, komt er ook een inventarisatie hoe overlast
extra kan worden beperkt voor mensen die in de buurt wonen van
bestaande en nieuw te bouwen spoorlijnen. Op meerdere plaatsen
worden al extra maatregelen genomen bij spooruitbreidingen om
trillingen en overlast te verminderen.
De conclusies van het RIVM luiden letterlijk:
- De resultaten van dit onderzoek wijzen op een ongunstig
effect van blootstelling aan trillingen van treinverkeer op
hinder en slaapverstoring.
- Op basis van het onderzoek wordt geschat dat de meeste
mensen die binnen 300 meter van het spoor wonen zijn
blootgesteld aan trillingssterktes die onder de
voelbaarheidsgrens van 0,1 mm/s liggen. Naar schatting hebben
528.000 personen te maken met een blootstelling van 0,1-3,2 mm/s
(Vmax), het bereik waarin trillingen relatief veel overlast
kunnen veroorzaken. Een relatief klein deel van de bevolking,
gemiddeld zo’n 11.000 personen, wordt naar schatting
blootgesteld aan niveaus boven de grenswaarde van 3,2 mm/s
(Vmax).
- Het aandeel van de bevolking van 16 jaar en ouder wonend
binnen 300 meter van het spoor dat ernstige hinder of
slaapverstoring door de trillingen ervaart is relatief hoog. Van
de personen van 16 jaar en ouder wonend binnen 300 meter van het
spoor, en ernstig gehinderd door trillingen van treinverkeer
zijn naar schatting 6.000 personen (2%) blootgesteld aan niveaus
van meer dan 3,2 mm/s (Vmax); naar schatting 22.000 personen
(8%) van deze groep zijn blootgesteld aan niveaus van 1,6 tot
3,2 mm/s (Vmax); nog ongeveer 128.000 ernstig gehinderden (49%)
zijn blootgesteld niveaus van 0,1 tot 1,6 mm/s, terwijl 107.000
ernstig gehinderden (41%) onder de voelbaarheidsgrens van 0,1
mm/s (Vmax) wonen. Voor het beleid betekent dit dat, teneinde de
trillingsoverlast en gezondheidseffecten te beperken, het niet
voldoende is om aan de Bts-grenswaarde van 3,2 mm/s te voldoen.
Ook en juist bij de middengroep met trillingssterktes 0,1-1.6
mm/s is veel gezondheidswinst te behalen.
- Het zijn vooral de goederentreinen die als hinderlijk (23%)
en verstorend worden ervaren (16%) en interventies gericht op
goederenverkeer lijken daarom het meest effectief.
- De gevonden verbanden tussen de blootstelling aan trillingen
van de treinen en de gerapporteerde hinder en slaapverstoring
kunnen niet verklaard worden door het geluid van treinverkeer,
dat op zich ook hinder en slaapverstoring kan veroorzaken.
- Op basis van de bevindingen kan geen voorkeur voor een
blootstellingsindicator of -indicatoren gegeven worden. De drie
maten hangen vergelijkbaar samen met effecten. Zij hangen
onderling sterk samen en bieden theoretisch een vergelijkbare
beschermingsgraad bij een steady state situatie. Bij een sterke
toename van treinfrequentie wordt verwacht dat Vmax en RMS meer
uit elkaar gaan lopen. RMS is in tegenstelling tot Vmax ook
afhankelijk van het aantal treinpassages dat trillingen
veroorzaakt. Vervolgonderzoek is nodig om de effecten hiervan in
kaart te brengen en te kwantificeren.
- Interventies zouden zich primair op de bron moeten richten,
maar er zou ook ingezet moeten worden op contextuele en
persoonlijke factoren zoals houding, acceptatie, angst voor
schade en te verwachten trillingssterktes in de toekomst. De
door omwonenden aangegeven voorkeur voor vormen van compensatie
bieden hiervoor belangrijke aanknopingspunten. (Redactie:
slechts een minderheid (28%) ziet een geldbedrag als zinvolle
vorm van compensatie. De meeste mensen (rond 75%) zien meer in
het instellen van een onafhankelijke commissie,
isolatievoorzieningen aan de woning tegen het geluid van de
treinen en voorzieningen aan de woning).
- De gevonden blootstelling-effectrelaties zouden kunnen
worden toegepast om de effectiviteit en doelmatigheid van
maatregelen door te rekenen en de uitkomsten met elkaar te
vergelijken op landelijk niveau. Ook lokaal zouden aan de hand
van de relaties scenario’s vergeleken kunnen worden, maar
kwantificatie is in dat geval veel lastiger, omdat lokale
factoren van grote invloed kunnen zijn op de hinder die
ondervonden wordt. Het gaat dan om maatregelen die rechtstreeks
op de blootstelling van invloed zijn en om maatregelen die een
of meerdere parameters beïnvloeden die vervolgens weer de RMS of
Vmax beïnvloeden. De gevonden blootstelling-effectrelaties
kunnen in de toekomst ook gebruikt worden om de effecten van
veranderingen in aantallen treinen te vergelijken en groepen
gebaseerd op ProRail prognoses (vooruitgang, achteruitgang,
blijft gelijk) bij beschikbaar komen van data uit een of meer
herhaalmetingen.
- En tot slot: de resultaten uit dit onderzoek zijn alleen
bedoeld om op populatieniveau uitspraken te doen: op basis
hiervan kunnen geen conclusies worden getrokken over individuele
woningen, mensen of situaties.
In de figuur hieronder dosis-effect relaties voor trillingen,
zoals bepaald door RIVM.

Figuur 4.8. De relatie tussen de
blootstelling aan trillingen van respectievelijk treinverkeer,
reizigerstreinen en goederentreinen (Vmax) en het aandeel van de
populatie dat ernstige hinder door trillingen van deze treinen
ervaart. Ook is per spoorbron de prevalentie (met 95%
betrouwbaarheidsinterval) van ernstige hinder per deciel te zien.

Figuur 4.10 De relatie tussen de
afstand tot het spoor en het aandeel van de bevolking dat ernstige
hinder door trillingen van respectievelijk treinverkeer,
reizigerstreinen en goederentreinen rapporteert. Ook is per
spoorbron de prevalentie (met 95% betrouwbaarheidsinterval) van
ernstige hinder per deciel te zien.
Wettelijk kader
Het vervolgonderzoek moet uitwijzen of het mogelijk is een
wettelijk kader te formuleren met als doel normen te stellen en
trillingshinder zoveel mogelijk te beperken. Het RIVM gaat kijken
of ze een rekenmethode kunnen ontwikkelen waarmee trillingen beter
te voorspellen zijn, rekening houdend met de bodemsoort en
bebouwing. Deze methode kan dan in toekomstige situaties gebruikt
worden om de hinder door trillingen beter te voorspellen bij
wijzigingen in de spoorweginfrastructuur. Hierin wordt ook kennis
over trillingshinder in het buitenland meegenomen
Knelpunten
Aan ProRail is gevraagd de inventarisatie te maken hoe
trillingshinder zoveel mogelijk beperkt kan worden. Zij brengen in
kaart wat de mogelijkheden zijn om bij te verwachten knelpunten de
trillingen terug te brengen, welke opties het meest effectief zijn
en wat voor kosten dit met zich meebrengt. Nog voor het eind van
het jaar informeert staatssecretaris Mansveld de Tweede Kamer over
de voortgang van de onderzoeken en over mogelijke vervolgstappen.
Bronvermelding:
Ministerie I&M,
RIVM rapport Wonen langs het spoor.
|