Windmotie Noord-Holland onuitvoerbaar

Redactie, 27 februari 2015

Provinciale Staten van Noord-Holland (PS) hebben tijdens de Statenvergadering op 15 december 2014 het gewijzigde beleid voor Wind op Land vastgesteld. Op een aantal punten willen de statenleden echter dat de bijhorende provinciale ruimtelijke verordening (PRV) wordt aangepast. Het gaat hierbij onder andere over de hoeveelheid geluid die de windturbines met name in stille gebieden mogen maken. De wensen van PS hebben ze beschreven in een zogenoemd amendement.

Amendement

In het amendement, ingediend door CDA, D66, ONH, PvdA, VVD wordt het volgende voorgesteld

Niet uitvoerbaar

Gedeputeerde Staten (GS) hebben de wensen van PS onderzocht en het is gebleken dat het amendement juridisch en om ruimtelijke- en milieutechnische effecten niet uitvoerbaar is. De voorstellen in het amendement voldoen onder andere niet aan de in de milieuwetgeving vastgelegde geluidsnormen voor windturbines. GS gaan daarom met PS in overleg over de gevolgen van het amendement en mogelijke alternatieven. GS hebben PS ook een brief gestuurd waarin aangegeven wordt waarom het amendement niet uitvoerbaar is.

Het voorstel van GS voor aanpassing van de PRV met betrekking tot het deel dat over de geluidsbelasting gaat, wordt op 9 februari a.s. besproken in de Statencommissie Ruimte & Milieu en op 2 maart a.s. in de Statenvergadering behandeld. Wanneer PS akkoord gaan met het voorstel van GS, wordt de gewijzigde PRV samen met de gewijzigde beleidstukken officieel vastgesteld en bekend gemaakt.

Juridische toetsing

Uit de brief blijkt dat huisadvocaat Pels Rijcken het amendement getoetst heeft op juridische consistentie, uitvoerbaarheid en houdbaarheid. Pels Rijcken constateert dat de afstandsnorm van 500m, die was opgenomen in het ontwerp en die was gericht op de aspecten geluidhinder, externe veiligheid en slagschaduw, is losgelaten en vervangen door een maximale geluidsbelasting. De ruimtelijk relevante motivering van voldoende afstand tot kwetsbare objecten, is vervangen door een strikt milieutechnische benadering die - aanmerkelijk - strenger is dan de wettelijke geluidsnorm. Op grond van artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening kunnen alleen ruimtelijk relevante voorwaarden in de PRV worden vastgelegd. Pels Rijcken concludeert dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat de bepaling noodzakelijk is voor een goede ruimtelijke ordening. Deze notie raakt aan de juridische houdbaarheid van het amendement.

Pels Rijcken stelt vervolgens een groot aantal vragen over diverse onderdelen van het amendement. Onduidelijk is waarom deze onderdelen worden gehanteerd en hoe deze dienen te worden geïnterpreteerd. Dit leidt tot rechtsonzekerheid. Eenduidigheid over de toepassing van de grenswaarde van 40dB(A), de straal van 1 200m en de norm van L95 + 3dB(A) ontbreekt bijvoorbeeld volgens de huisadvocaat. De vraag is waarom een maximale geluidsbelasting wordt voorgeschreven voor zowel de nacht als de dag en avond.

Door de geluidsnorm van 40dB(A) op te nemen in de PRV wordt bovendien afgeweken van de systematiek van Lden en Lnight uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarin de geluidsbelasting wordt berekend op basis van een langjarig gemiddelde. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3.14a Activiteitenbesluit blijkt dat destijds bewust voor de systematiek van Lden en Lnight is gekozen. Met deze systematiek wordt beter aangesloten bij de ervaren hinder dan met de voorheen geldende dB{A)-norm.

Ruimtelijke effecten

Om inzicht te verkrijgen in de ruimtelijke uitvoerbaarheid van het amendement heeft Antea Group in opdracht van de provincie de akoestische en ruimtelijke effecten in beeld gebracht.

Antea wijst erop dat gegevens over achtergrondniveaus voor geluid niet algemeen en gebiedsdekkend beschikbaar zijn. Gegevens met betrekking tot het achtergrondniveau (Lg5) zullen voor iedere locatie individueel en apart verzameld moeten worden met behulp van metingen ter plaatse, uitgevoerd conform de ICG-publicatie IL-HR-1 5-01 "Richtlijnen voor karakterisering en meting van omgevingsgeluid". Bij een meting van het omgevingsgeluid (Lg5) zal een keuze moeten worden gemaakt ten aanzien van de meetpositie en het tijdstip van de metingen. Het doel van de metingen is bepalend voor de meetpositie. Antea stelt dat voor een representatie gebruik van het Lg5-niveau in relatie tot de geluidbelasting van windturbines en de daarbij gehanteerde geluidkarakterisering (jaargemiddelde rekening houdend met de frequentie van voorkomen van windsnelheden) een meetperiode van een jaar voor de hand ligt. Dit betekent dat de procedure om te komen tot een omgevingsvergunning met inbegrip van een besluit-MER flinke vertraging oploopt.

Antea wijst erop dat gegevens over achtergrondniveaus voor geluid niet algemeen en gebiedsdekkend beschikbaar zijn. Gegevens met betrekking tot het achtergrondniveau (L95) zullen voor iedere locatie individueel en apart verzameld moeten worden met behulp van metingen ter plaatse, uitgevoerd conform de ICG-publicatie IL-HR-1 5-01 "Richtlijnen voor karakterisering en meting van omgevingsgeluid". Bij een meting van het omgevingsgeluid (L95) zal een keuze moeten worden gemaakt ten aanzien van de meetpositie en het tijdstip van de metingen. Het doel van de metingen is bepalend voor de meetpositie. Antea stelt dat voor een representatie gebruik van het L95-niveau in relatie tot de geluidbelasting van windturbines en de daarbij gehanteerde geluidkarakterisering (jaargemiddelde rekening houdend met de frequentie van voorkomen van windsnelheden) een meetperiode van een jaar voor de hand ligt. Dit betekent dat de procedure om te komen tot een omgevingsvergunning met inbegrip van een besluit-MER flinke vertraging oploopt.

Antea geeft aan dat de wijziging in artikel 32 lid 4 sub g PRV ertoe leidt dat de bouw van windparken op herstructureringslocaties in gebieden met een laag achtergrondgeluidniveau - die met name zijn gelegen in de Kop van Noord-Holland en West-Friesland - niet mogelijk is. De gewijzigde bepaling legt immers vergaande beperkingen op aan de beschikbare ruimte voor windenergie in relatief stille gebieden.

Ander voorstel

De commissieleden hebben inmiddels aangegeven dat zij, in de voordracht die GS opstelt voor PS, graag het voorstel uitgewerkt zien waarin de ruimte tussen windturbines en gevoelige bestemmingen vergroot wordt van 500 meter naar 600 meter. Mochten PS hier op 2 maart a.s. toe besluiten dan heeft dit als gevolg dat de volgende locaties niet meer in aanmerking komen voor het plaatsen van windturbines:

  • Trambaan/Jan Eikenvaart in polder Wieringerwaard
  • Bobeldijk/Spierdijk/Berkhout
  • Venhuizen bij Drechterland.

Daardoor wordt het herstructureringsgebied Zwaagdijk-Oost kleiner.

Verder hebben de commissieleden gevraagd om de maatwerkregeling met betrekking tot de geluidsbelasting te verwerken in de Provinciale Milieu Verordening (PMV) en uit de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) te halen. Op deze wijze is het ook juridisch mogelijk om op het gebied van geluidsbelasting maatwerk te leveren. Deze aanpassing heeft geen (directe) gevolgen voor de bewoners van de voorlopige windturbinelocaties. Wel wordt er in deze variant in stillere gebieden naar maatwerk gezocht.

Bronvermelding: Amendement, Nieuwsbericht Noord-Holland (1), Stemming moties, Brief aan PS, Nieuwsbericht Noord-Holland (2)