|
Beleidsregel trillinghinder spoor: klein verschil met grote gevolgen? |
|
Carel Ostendorf, 26 juni 2015 De Beleidsregel trillingshinder spoor (BTS) is een wettelijke bepaling over de maximaal toegestane trillingssterkte als gevolg van treinverkeer. Het gaat hierbij om de beoordeling van trillingen in relatie tot hinder voor personen in gebouwen. De BTS mag alleen worden toegepast in geval van een Tracébesluit (TB). Als er geen TB van toepassing is, dan vormt SBR richtlijn B het toetsingskader. De BTS is geïntroduceerd in 2012 omdat bij spoorse projecten de SBR richtlijn B onvoldoende zekerheid in reproduceerbaarheid bood. In 2014 is een tweede versie van de BTS gepubliceerd waarin met name de verwerking van de meetresultaten is aangepast om vooral die reproduceerbaarheid beter te maken. De BTS leunt sterk op de SBR richtlijn B. In artikel 2 lid 1 van de BTS staat bijvoorbeeld: “Bij de vaststelling van een Tracébesluit is de SBR-richtlijn B van toepassing met uitzondering van paragraaf 9.6, hoofdstuk 10 en bijlage V alsmede van de verwijzingen naar die paragraaf, dat hoofdstuk en die bijlage.” Paragraaf 9.6 gaat over de statistische verwerking van de meetresultaten en de BTS geeft daar door middel van een memo van Level Acoustics & Vibration (LA.131001a M04), een geheel eigen invulling aan. Hoofdstuk 10 van richtlijn B behandelt de toetsingswijze en de toetsingswaarden en Bijlage V geeft een relatie tussen de trillingssterkte Vmax voor weg- en railverkeer en een hinderclassificatie. Voor het meten van de trillingen, de berekening van Vmax en Vper is de SBR richtlijn B dus nog gewoon van toepassing. Vergelijking toetsingswaarden Bij een eerste vergelijking tussen de streefwaarden in SBR richtlijn B (hoofdstuk 10) en de BTS (artikelen 5, 6 en 7) zijn de verschillen klein.
Tabel 1 geeft een vergelijking waarbij onderscheid is gemaakt tussen SBR en BTS. De toetsingswaarden uit de BTS zijn vet gedrukt. Wat opvalt is dat de getallen gelijk zijn maar dat in een nieuwe situatie in de BTS geen toetsingswaarden zijn opgenomen voor de gemiddelde trillingssterkte Vper. In nieuwe situaties wordt in de BTS alleen de maximale trillingssterkte Vmax beoordeeld. Vergelijking toetsingswijze In de SBR richtlijn B is de toetsingswijze omschreven in paragraaf 10.5.1. De tekst vermeldt dat er wordt voldaan aan de streefwaarden als: • De waarde voor de maximale trillingssterkte Vmax in een ruimte kleiner is dan de streefwaarde A1 of als • De waarde voor de maximale trillingssterkte Vmax in een ruimte kleiner is dan de streefwaarde A2 en de gemiddelde trillingssterkte Vper kleiner is dan de streefwaarde A3. Schematisch ziet deze procedure er als volgt uit: De waarden voor Vmax en/of Vper dienen kleiner te zijn dan de streefwaarde om te voldoen. Een waarde gelijk aan de streefwaarde voldoet dus niet. In de BTS is het schema verdwenen en daarmee ook de koppeling tussen Vmax en Vper. Vmax en Vper worden afzonderlijk van elkaar beoordeeld. Dit betekent dat sprake kan zijn van een overschrijding van A2 (Vmax) en A3 (Vper). In de SBR richtlijn kan dat niet. Bij een overschrijding van A2 hoeft Vper niet meer beoordeeld te worden. Er wordt sowieso niet voldaan aan de streefwaarden. De artikelen 5 en 6 in de BTS gelden voor Vmax (nieuwe en bestaande situatie) en artikel 7 voor Vper (alleen in een bestaande situatie). In artikel 5 lid 1 (nieuwe situatie) staat voor de beoordeling van Vmax : “In een tracébesluit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, kunnen maatregelen ter voorkoming of beperking van de trillinghinder achterwege blijven indien de Vmax in de plansituatie voldoet aan de in de tabel 1 opgenomen streefwaarde.” Vergelijkbare formuleringen staan in artikel 6 (Vmax bestaande situatie) en artikel 7 (Vper bestaande situatie). Er moet dus voldaan worden aan de streefwaarde. Er staat niet meer dat Vmax kleiner moet zijn dan de streefwaarde. Een Vmax gelijk aan de streefwaarde wordt ook beschouwd als “voldoen aan”. In artikel 6, lid 1 onder b, wordt dit zelfs specifiek genoemd: “(…) de toename van de trillingssterkte in de plansituatie ten opzichte van de bestaande situatie 30 procent of minder bedraagt.” De toetsingswaarde is 30% en als de berekende toename voor Vmax in de plansituatie kleiner is of gelijk is aan 30% dan wordt voldaan. “Gelijk aan” betekent dus “voldoen aan”. Er is met de gekozen formulering in de BTS een (kleine) verruiming van de toetsingswaarden ontstaan. Is dat erg? Op het eerste gezicht lijkt het verschil klein. Stel dat de trillingssterkte 0,095 is, dan is dat kleiner dan 0,1 en voldoet het aan zowel richtlijn B als BTS. Dat geldt ook nog voor 0,099 maar niet meer voor 0,101. Die waarde is groter dan 0,1 en voldoet niet aan richtlijn B maar is deze waarde ook gelijk aan 0,1 volgens BTS? We komen nu op het gebied van de afronding en dat is niet geregeld, noch in de SBR richtlijn B, noch in de BTS. De notatie van de streefwaarden wijst in beide documenten echter in de richting van het gebruik van 2 decimalen. Immers, voor Vmax in kantoren wordt een streefwaarde van 0,15 gebruikt (nieuwe situaties in zowel BTS als SBR) en voor Vper geldt voor nieuwe situaties een waarde van 0,05 (alleen SBR). Het zou onlogisch zijn om voor de ene categorie uit te gaan van 1 decimaal en voor een andere categorie van 2 decimalen.Als in de tabellen in de BTS geen 0,1 maar 0,10 had gestaan was het duidelijk geweest: twee decimalen. Dat zou betekenen dat 0,101 wordt afgerond tot 0,10 en dus voldoet volgens BTS. Een waarde van 0,105 wordt afgerond tot 0,11 en voldoet niet. Voor SBR maakt het niet uit: alle waarden zijn groter of gelijk aan 0,1 en voldoen daarmee sowieso niet. Het ontbreken van een afrondingsregel is onhandig nu de voorwaarde “kleiner dan” in de BTS is komen te vervallen. Het lijkt de weg vrij te maken voor onredelijke afrondingen. Stel dat een wijziging leidt tot een toename van de trillingssterkte van 0,09 in de bestaande situatie naar 0,14 in de plansituatie. Door afronding gaan we terug naar 0,1 en daarmee wordt een toename van 40% in een keer weggewerkt en dat is toch niet de bedoeling. In de BTS is immers voor een wijziging van een bestaande situatie een bovengrens aan de toename van Vmax opgenomen van 30%. In dat licht gezien kan het wegvallen van de “kleiner dan” voorwaarde ongewenste consequenties hebben. De praktijk zal leren of dit op gaat treden. In een recente uitspraak van de Raad van State waarin de BTS is meegenomen, komt het nog niet aan bod. Overigens, in het memo van Level Acoustics & Vibration is wel een voorwaarde voor de afronding opgenomen. Op bladzijde 6 staat: "Toetsing geschiedt met de nauwkeurigheid waarmee de criteria zijn geformuleerd, maar daarbij dienen fouten door dubbele afronding te worden voorkomen. • Tussenresultaten (meetwaardes, percentages, etc.) worden afgerond en opgeslagen met tenminste 3 significante cijfers. • Bij toetsing wordt een toetswaarde eerst afgerond naar de meest significante decimaal van het toetsingscriterium. " De laatste zin verwijst naar het aantal significante decimalen van de streef- en grenswaarden in de BTS en omdat dat niet omschreven is, biedt ook de memo daardoor geen verlossing.
|
| footer |