|
Kamervragen en antwoorden over geluid goederentreinen Ministerie van I&M, 24 januari 2013, in italic bijdragen van de redactie In een brief aan de Tweede Kamer gaat de staatssecretaris Wilma J. Mansveld in op de vragen van Paulus Jansen van 18 december 2012 over geluidsoverlast van goederentreinen bij Borne DGMR concludeert in de rapportage dat de berekende geluidbelasting op meetpunten 1 en 3 binnen de meetonnauwkeurigheid overeenkomen. Het verschil op meetpunt 2 kan mogelijk worden verklaard worden door aanwezige vegetatie en de hoogte van de geluidswal, die kennelijk niet exact is bepaald.
Ook concludeert DGMR dat de goederenbewegingen een zeer grote spreiding laten zien in geluidsniveaus, en gemiddeld meer lawaai maken dan reizigerstreinen, zoals blijkt uit onderstaande figuur. De spreiding bedraagt tot 20 dB. Echter, de piekniveaus maken geen onderdeel uit van de geluidregelgeving.
Spectaculaire verbeteringen mogelijk Jansen vraagt de staatssecretaris wat zij concludeert u op basis van de meetresultaten van de geluidproductie van goederentreinen, waaruit blijkt dat de geluidpiek van goederentreinen –gemeten op dezelfde locatie - tot 20dB kan verschillen? Onderschrijft zij dat 20dB een dramatisch groot verschil is, dat voor omwonenden het verschil kan maken tussen een redelijke nachtrust of een slapeloze nacht? Onderschrijft zij ook dat de meetresultaten aantonen dat er spectaculaire verbeteringen mogelijk zijn in de geluidemissies van goederentreinen, door met moderner, goed onderhouden materieel te gaan rijden? De staatssecretaris antwoord dat het haar bekend is dat de geluidproductie van goederentreinen fors kan variëren. Zij vindt het dan ook van belang dat voor de geluidberekeningen wordt uitgegaan van een correcte gemiddelde geluidproductie. Het huidige Reken- en Meetvoorschrift voldoet daaraan, en met de inwerkingtreding (per 1 juli 2012) van de nieuwe geluidregelgeving (SWUNG-1) heeft het RIVM de taak gekregen om dit Reken- en Meetvoorschrift actueel te houden. Inderdaad laat de spreiding zien dat er substantiële geluidwinst te boeken is via bronmaatregelen aan het materieel. De staatssecretaris is het met Jansen eens dat het van groot belang is om de geluidemissies van goederentreinen te beperken. Om die reden is het beleid actief gericht op het stimuleren van de inzet van stillere treinen. Meetpalen Vervolgens vraag Jansen hoe het staat met het door de voorganger van mw. Mansveld toegezegde onderzoek naar aanleiding van de suggestie om op sleutellocaties in het spoorwegnet – in het bijzonder bij de grensovergangen – meetpalen te plaatsen voor een aantal belangrijke milieu- en veiligheidsindicatoren (geluidniveau, aslast, aanlopende wielassen)? Volgens mw Mansveld is in de nieuwe geluidwetgeving is (Swung-1) in artikel 11.22 Wet milieubeheer opgenomen dat een verantwoording van de validatie van de berekende waarden voor de referentiepunten deel moet uitmaken van het jaarlijkse nalevings-verslag van ProRail. Waarbij de validatie in ieder geval plaatsvindt met behulp van steekproefsgewijze metingen door een onafhankelijke partij. Daartoe wordt momenteel door het RIVM een meetprogramma opgezet. Daarnaast heeft het RIVM in het kader van die nieuwe wetgeving de taak gekregen om het nieuwe Reken- en Meetvoorschrift actueel te houden. In dat kader wordt ook nagedacht op welke wijze de feitelijke geluidproductie van het spoormaterieel het beste gemonitord kan worden. Dit uiteraard in samenhang met de genoemde validatie. Als hierover meer duidelijk is zal de Tweede Kamer nader geďnformeerd worden. Geen namen en rugnummers Vraag van Jansen: Bent u bereid om de namen en rugnummers van de treinen/goederenvervoerders uit de metingen van ingenieursbureau DGMR te publiceren, zodat iedereen kan zien welke bedrijven omwonenden uit hun slaap houden en welke goederenvervoerders wél investeren in goed materieel en adequaat onderhoud? Antwoord van Mansveld: Goederenvervoerders mogen uitsluitend rijden met materieel dat is goedgekeurd en dat voldoet aan de daaraan gestelde overheideisen (nationaal en Europees), onder andere op het aspect van de geluidemissie. Voor nieuw materieel gelden op grond van EU-regelgeving strengere eisen voor de geluidemissie; voor bestaand materieel gelden de aangescherpte eisen niet. Indien geluidoverlast wordt ervaren is dat niet toe te schrijven aan een specifieke vervoerder. Geluidproductieplafonds Vraag: Wat is uw reactie op de volgende conclusie van DGMR: ‘Een eerste vergelijking met de gemeten waarden levert op dat de formele geluidproductieplafonds uit het Geluidregister tot 5 dB afwijken van de berekende waarden en tot 6dB van de gemeten waarden.'? Antwoord: Het genoemde rapport bevat een analyse van meetgegevens over de eerste 4 maanden van 2012. De schrijvers van het rapport – adviesbureau DGMR – geven dan ook aan dat het om een voorlopige rapportage gaat, en dat na een vol jaar meten een definitieve rapportage zal volgen. Een meetperiode van slechts 4 maanden acht ik onvoldoende om conclusies op te baseren, ik wacht daarvoor de definitieve rapportage af. Bronnen: Rijksoverheid, Rapport DGMR |
| footer |