MER evaluatie Betuweroute naar Tweede Kamer

Rijksoverheid, 4 juli 2013

In een brief heeft de Minister van I&M de Tweede Kamer geinformeerd over de MER-evaluatie van de Betuweroute. In het kader van de besluitvorming over de aanleg van de Betuweroute is een milieueffectrapport (MER) opgesteld over de te verwachten effecten van de aanleg van deze goederenspoorlijn op het milieu. Op grond van de Wet milieubeheer bestaat binnen de m.e.r.-procedure (milieueffectrapportage) een verplichting tot het opstellen en uitvoeren van een evaluatieprogramma.
Deze MER-evaluatie laat zien dat het overgrote deel van de onderzochte effecten op het milieu op het moment van onderzoek tijdens de gebruiksfase van de Betuweroute niet groter of anders zijn dan werd verwacht. Er worden geen vastgestelde waarden uit het Tracebesluit overschreden en de compenserende maatregelen voldoen grotendeels. Alleen bij het aspect trillingen wijken de bevindingen in beperkte mate af van de verwachtingen en zijn mogelijk maatregelen noodzakelijk.

Geluid

Er zijn meerdere bijlagerapporten verschenen bij de brief aan de Tweede Kamer, o.a. het MER rapport over geluid.

De Minister concludeert in haar brief aan de Tweede Kamer als volgt over het aspect geluid:

  1. De feitelijke geluidsbelasting overschrijdt op dit moment de in het Tracebesluit vastgestelde (voorkeurs- of hogere) waarden niet.
  2. Bij volledig gebruik van de capaciteit op de Betuweroute, met treinintensiteiten conform het Tracebesluit, zal zonder de inzet van stil materieel, de geluidsbelasting 1,0 dB(A) hoger zijn dan is vastgesteld.

Toelichting geluid

Op dit moment worden de in het Tracebesluit vastgestelde waarden niet overschreden. Berekeningen laten zien dat wanneer met het huidige materieel de capaciteit van de Betuweroute ten volle zal worden benut, die waarden wel worden overschreden. Dit klopt met de verwachtingen en was al voorzien in 1996. De voorziene overschrijding impliceert dat er op termijn maatregelen moeten worden getroffen. De minister verwacht echter dat het huidige materieel langzaam maar zeker stiller zal worden, waardoor het niet nodig zal zijn om maatregelen te nemen.

In april van dit jaar is er een belangrijke stap gezet om het stiller maken van wagons makkelijker te maken. De zogenaamde kunststof LL-blokken zijn eind april door het UIC (Union Internationale des Chemins de fer; International Union of Railways) vrijgegeven voor internationaal gebruik. De daarbij behorende bepalingen zijn nu zo versoepeld dat de ombouw van bestaande wagons betrekkelijk eenvoudig is en er vrijwel geen belemmeringen meer zijn. ProRail en Keyrail stimuleren het rijden met stiller gemaakte wagons via een korting op de gebruiksvergoeding.

De minister heeft er vertrouwen in dat door deze ontwikkelingen de komende jaren het aantal stille treinen in Nederland zal toenemen. De geluidsbelasting van de omgeving zal hierdoor afnemen en de spoorcapaciteit kan beter worden benut zonder dat er kostbare overdrachtsmaatregelen (zoals geluidsschermen) moeten worden getroffen.

Hardinxveld-Giessendam

In de gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft een uitgebreider geluidsonderzoek plaatsgevonden dan het evaluatieprogramma voorschrijft, vanwege klachten van bewoners uit die gemeente. Het onderzoek wijst uit dat in Hardinxveld-Giessendam de geluidsbelasting onder de vastgestelde waarden uit het Tracebesluit Betuweroute blijft.

Vervolg geluid

De evaluatie van het milieueffect geluid geeft op dit moment geen aanleiding om maatregelen te treffen. Of er in de toekomst maatregelen nodig zijn, zal vanaf 2014 jaarlijks moeten blijken uit de nalevingsrapportages van ProRail in het kader van de nieuwe geluidwetgeving waarin geluidproductieplafonds (gpp's) zijn opgenomen. De gpp's van de Betuweroute zijn vastgesteld op basis van het Tracébesluit Betuweroute.

Er zijn locaties waar mogelijk op relatief korte termijn de gpp's worden overschreden. Dat zijn de locaties waarvan in het Tracébesluit is vastgelegd dat daar bewust geen geluidsschermen worden geplaatst. Er zouden volgens de aangepaste normen destijds schermen van 1 meter nodig te zijn op die locaties. De verwachting was echter dat de instroom van stil materieel deze overbodig zouden maken. Die instroom is veel trager op gang gekomen dan werd verwacht. Bij Keyrail en ProRail zijn deze locaties bekend en zij monitoren scherp op eventuele overschrijdingen van de gpp's aldaar. Deze locaties waren overigens geen onderdeel van de MER-evaluatie.

Trillingen

De Minister concludeert in haar brief aan de Tweede Kamer als volgt over het aspect trillingen:

  1. In de meeste woningen waar metingen hebben plaatsgevonden, blijven de trillingen binnen de richtlijnen voor trillingshinder. Dat zal ook het geval zijn bij volle benutting van de Betuweroute.
  2. Bij 27 van de 71 gemeten woningen worden de richtlijnen voor trillingshinder op dit moment overschreden.
  3. 6 van deze 27 woningen liggen op meer dan 50 m afstand van de Betuweroute.

Toelichting trillingen

Het trillingsonderzoek betreft metingen van trillingshinder voor personen waarop de SBR B (Stichting Bouwresearch, richtlijn B) van toepassing is. Het onderzoek dat in het kader van het MER destijds is uitgevoerd, concludeert dat het aannemelijk is dat hinder ten gevolge van trillingen kan optreden tot circa 50 m buiten de spoorbaan. Of die hinder daadwerkelijk optreedt, is sterk afhankelijk van de bodemgesteldheid ter plaatse.

Voor de woningen waar sprake is van overschrijdingen, is een globale knelpuntenanalyse uitgevoerd. Uit die analyse komt naar voren dat de mogelijke oorzaken zeer uiteenlopend van aard zijn: van een passage van een trein met een sterk afwijkend trillingsniveau tot slappe vloeren en muren van woningen.

Vervolg trillingen

De globale knelpuntenanalyse laat zien dat er aanleiding is om nader onderzoek te doen naar de oorzaken. Daarnaast zal de minister laten uitwerken welke maatregelen mogelijk zijn en wat daarvan de kosten zijn. Zij verwacht dat zij in het tweede kwartaal van 2014 een besluit kan nemen over eventuele maatregelen. De doelmatigheid van de maatregelen zal daarbij ook worden betrokken.

Bron: Rijksoverheid