|
zaaknummer 201104791/1/A4
datum van uitspraak woensdag 10 oktober 2012
tegen
het college van burgemeester en wethouders van midden-drenthe
201104791/1/A4. Datum uitspraak: 10 oktober 2012
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats], gemeente
midden-drenthe,
en
het college van burgemeester en wethouders van midden-drenthe, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 1 maart 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een
vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van
de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een
landbouwbedrijf met een windturbine op het perceel [locatie] te [plaats].
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke
Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant] en
anderen en het college hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.
[appellant] en anderen, het college en [vergunninghoudster] hebben nadere
stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2012, waar het
college, vertegenwoordigd door H.H.J. Holt en A.J. Abbingh, beiden werkzaam bij
de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster],
vertegenwoordigd door Th. Rispens en J. Joffers, gehoord.
Overwegingen
Overgangsoverweging Wabo
1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de
Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere
wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2,
tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van
toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een vergunning voor de
inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de
wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo
werden gewijzigd.
Ontvankelijkheid
2. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb),
voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een
belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen
zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.
Uit dit artikel vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen
tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft
gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem
redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een
milieuvergunning die, zoals hier, vóór 1 april 2011 zijn bekendgemaakt, worden
de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën
milieugevolgen nog als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin
aangemerkt (uitspraak van 9 maart 2011 in zaak nr. 201006983/1/M2).
2.1. [appellant] en anderen hebben geen zienswijzen naar voren gebracht over
luchtkwaliteit en verontreiniging van het grondwater. Niet is gebleken van
omstandigheden op grond waarvan hun dit redelijkerwijs niet kan worden verweten.
Het beroep, voor zover dit betrekking heeft op deze aspecten, is daarom
niet-ontvankelijk.
Vergunningaanvraag
3. [appellant] en anderen betogen dat de vergunningaanvraag onvoldoende en
deels onjuiste informatie bevat over onder meer de in de inrichting
plaatsvindende activiteiten, het aantal vervoerbewegingen van en naar de
inrichting en de geluidsemissie vanwege de inrichting. Zij stellen dat op basis
van deze aanvraag de milieugevolgen van het in werking zijn van de inrichting
niet goed kunnen worden beoordeeld.
3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag voldoet aan de
eisen die daarvoor in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
(hierna: Ivb) zijn opgenomen. Volgens het college bevat de aanvraag met de
daarbij gevoegde bescheiden voldoende informatie om de geluidsemissie juist te
kunnen beoordelen. Het college wijst er in dit verband op dat de inrichting niet
valt onder de categorie inrichtingen als bedoeld in artikel 5.10 van het Ivb,
waarvoor geldt dat het bevoegd gezag kan verlangen dat bij of in de aanvraag
bepaalde gegevens over de geluidsbelasting worden vermeld.
3.2. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Ivb moeten
in of bij een aanvraag om een vergunning onder meer worden vermeld de aard en
omvang van de belasting voor het milieu die de inrichting tijdens normaal
bedrijf kan veroorzaken.
Ingevolge artikel 5.6 verstrekt de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag
bij de aanvraag nadere gegevens voor zover die gegevens nodig zijn voor de
beslissing op de aanvraag.
Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het
bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte
gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de voorbereiding van de
beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een
door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
3.3. Anders dan het college kennelijk veronderstelt, kan het bevoegd gezag
ook in andere gevallen dan die waarop artikel 5.10 van het Ivb ziet een
akoestisch onderzoek verlangen, voor zover dat nodig is voor de beslissing op de
aanvraag. Artikel 5.10 geeft hierover slechts aanvullende regels.
3.4. In de inrichting worden werkzaamheden verricht ten behoeve van de
akkerbouw en bloembollenteelt. Op het bedrijfsterrein bevinden zich onder meer
drie opslagloodsen, een gebouw waarin koelcellen en een spoelmachine zijn
ondergebracht en een spoelbassin. Tevens wordt op het terrein van de inrichting
een 15 m hoge windturbine geplaatst.
De dichtst bij de inrichting gelegen woningen liggen op 5 m ten zuidwesten en
15 m ten noordoosten van het bedrijfsterrein. De inrichting wordt aan de
voorzijde ontsloten door een in- en uitrit aan de Kanaalweg en aan de
achterzijde via een ontsluitingsweg.
Blijkens de aanvraag wordt vergunning gevraagd voor onder meer ruim 60
vrachtwagenbewegingen en ruim 100 tractorbewegingen per etmaal op het terrein
van de inrichting en van en naar de inrichting. Gelet hierop alsmede op de
situering van de inrichting nabij woningen, is het ter beoordeling of aan de te
stellen en toereikend te achten geluidsgrenswaarden kan worden voldaan,
noodzakelijk dat de vergunningaanvraag inzicht verschaft in de geluidsbelasting
die de inrichting bij woningen van derden veroorzaakt. 3.5. Bij de aanvraag is
het akoestisch rapport van DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. (hierna: DGMR)
van 11 december 2009 gevoegd. In dit rapport wordt de bijdrage van de
windturbine getoetst aan de windnormcurve van artikel 3.15 (oud) van het Besluit
algemene regels inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim). Aan de hand van deze
toets wordt in het rapport geconcludeerd dat plaatsing van de windturbine niet
leidt tot overschrijdingen van de te stellen geluidsnormen voor het
langtijdgemiddeldbeoordelingsniveau. Daarbij zijn de geluidsniveaus van de
windturbine en de overige aanwezige geluidsbronnen bij elkaar opgeteld. De
bijdrage van de overige geluidsbronnen is echter niet gebaseerd op een
berekening van de werkelijke geluidsemissie, maar fictief vastgesteld op 50
dB(A) als etmaalwaarde. Het rapport geeft aldus geen inzicht in de werkelijke
geluidsbelasting bij woningen van derden vanwege de overige geluidsbronnen
binnen de inrichting. Ook anderszins zijn hierover in de vergunningaanvraag geen
gegevens opgenomen. Verder ontbreken in de vergunningaanvraag gegevens over de
optredende maximale geluidsniveaus, de geluidsemissie van het verkeer van en
naar de inrichting, de bedrijfstijden, de routering van de mobiele bronnen
binnen de inrichting en de incidentele en representatieve bedrijfssituaties.
Gelet hierop kan op basis van de in de aanvraag en het daarbij behorende
akoestisch rapport niet worden beoordeeld of aan de te stellen
geluidsgrenswaarden kan worden voldaan. Verder wordt uit de aanvraag niet
duidelijk of deze ook betrekking heeft op de aan de achterzijde van het bedrijf
gelegen ontsluitingsweg die feitelijk behoort tot de inrichting.
Het college heeft dan ook niet in redelijkheid kunnen oordelen dat de
aanvraag voldoende informatie bevat om een goede beoordeling van de gevolgen
voor het milieu mogelijk te maken. Door toch inhoudelijk op de aanvraag te
beslissen, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb,
waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de
nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
4. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is gegrond. Het bestreden besluit
moet worden vernietigd. Gelet op de aard van de vernietiging zal op basis van
een nieuwe of aangevulde vergunningaanvraag een nieuw besluit moeten worden
genomen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding om, zoals het college
heeft verzocht, ingevolge artikel 8.51a van de Awb toepassing te geven aan de
zogeheten bestuurlijke lus. De Afdeling zal met het oog op een mogelijk nieuwe
vergunningprocedure de onder 6, 7 en 8 weergegeven beroepsgronden behandelen.
Toetsingskader Wet milieubeheer
5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de
vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden
geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder
geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat
in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste
beschikbare technieken worden toegepast.
Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de
bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het
derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van
bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die
nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan
veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij
voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan
uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking
komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden
geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan
veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden
voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.
Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een
zekere beoordelingsvrijheid toe.
Geluidshinder
6. [appellant] en anderen stellen ernstige geluidshinder te ondervinden
vanwege het in werking zijn van de inrichting. Volgens hen is het onzeker of aan
de gestelde geluidsgrenswaarden kan worden voldaan.
6.1. Zoals hiervoor onder 3.5 is overwogen, wordt in het akoestisch rapport
van DGMR van 11 december 2009 de bijdrage van de windturbine getoetst aan de
windnormcurve van artikel 3.15 (oud) van het Barim. Bij besluit van 14 oktober
2010 (Stb. 749), in werking getreden op 1 januari 2011, is de regeling voor
windturbines in het Barim echter gewijzigd. Ten tijde van het nemen van het
bestreden besluit golden de in artikel 3:14a opgenomen normen van 47dB Lden en
41 dB Lnight. Bij de gewijzigde normstelling is tevens de methode voor het meten
en berekenen van de geluidsbelasting van windturbines gewijzigd (artikel 3.15 in
samenhang met bijlage 4 van de Regeling algemene regels voor inrichtingen
milieubeheer). Het onderzoek dat aan het rapport ten grondslag ligt is niet
overeenkomstig deze meet- en rekenmethode uitgevoerd.
Het college is van mening dat het rapport uit een oogpunt van rechtszekerheid
niettemin aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd, nu
ten tijde van de aanvraag de gewijzigde bepalingen nog niet golden. Hierover is
in het besluit van 14 oktober 2010 echter geen overgangsrecht opgenomen. Dat
heeft tot gevolg dat de gewijzigde bepalingen van toepassing waren ten tijde van
het nemen van het bestreden besluit. Gelet hierop had het college zich bij de
beoordeling van de geluidsemissie van de windturbine niet op het rapport mogen
baseren. Het bestreden besluit is zoverre onzorgvuldig voorbereid en
ondeugdelijk gemotiveerd.
6.2. Het college heeft naar aanleiding van het deskundigenbericht, dus na het
nemen van het bestreden besluit, een nader akoestisch onderzoek doen uitvoeren.
De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport van DGMR van 5 maart 2012.
Uit dit rapport blijkt dat ter plaatse van een groot aantal omliggende woningen
niet aan de in vergunningvoorschrift 13.2.2 gestelde geluidsgrenswaarde voor het
maximale geluidsniveau in de nachtperiode kan worden voldaan. Voorts kan ter
plaatse van enkele woningen niet aan de gestelde geluidsgrenswaarden voor het
maximale geluidsniveau in de dag- en avondperiode worden voldaan. Gelet hierop
hebben de in voorschrift 13.2.2 opgenomen geluidsgrenswaarden tot gevolg dat de
aangevraagde bedrijfsvoering niet mogelijk is, zodat het stellen van dit
voorschrift neerkomt op een weigering van de gevraagde vergunning in zoverre.
Dit verdraagt zich niet met het stelsel van de Wet milieubeheer. In een geval
als hier aan de orde dient de vergunning expliciet geheel of gedeeltelijk te
worden geweigerd.
6.3. Uit het akoestisch rapport van DGMR van 5 maart 2012 blijkt tevens dat
niet wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde die is
opgenomen in de ministeriële circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het
wegverkeer van en naar de inrichting (…)" van 29 februari 1996. Overschrijding
van deze voorkeursgrenswaarde is volgens de circulaire toegestaan tot 65 dB(A),
indien en voor zover redelijkerwijs geen bron- of geluidswerende maatregelen in
de overdrachtssfeer kunnen worden getroffen en indien rekening wordt gehouden
met onder meer de geldende grenswaarden uit de Wet geluidhinder, waaronder de
maximaal toelaatbare binnengrenswaarde van 35 dB(A). Het college heeft alvorens
de vergunning te verlenen niet aan de circulaire getoetst en evenmin anderszins
toereikend gemotiveerd waarom de geluidshinder vanwege het verkeer van en naar
de inrichting voldoende is beperkt. Het bestreden besluit is op dit punt
onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
Stofhinder
7. [appellant] en anderen voeren aan stofhinder te ondervinden als gevolg van
de aan- en afvoer van spoelzand.
7.1. Niet in geschil is dat de aan- en afvoer van spoelzand de verspreiding
van stof tot gevolg heeft. Aan de vergunning zijn geen specifieke voorschriften
verbonden ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder. In het
deskundigenbericht is vermeld dat met betrekkelijk eenvoudige maatregelen, zoals
het schoonvegen en bevochtigen van de ontsluitingsweg, het afdekken van de
lading van de kiepwagens en het schoonspuiten van de banden van de kiepwagens
voordat deze met de lading uit de inrichting vertrekken, de verspreiding van
stof kan worden voorkomen. Gelet hierop en zoals het college ter zitting heeft
erkend, hadden aan de vergunning nadere voorschriften kunnen en moeten worden
verbonden ter beperking van stofhinder. Het bestreden besluit is op dit punt in
strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer.
Verkeershinder
8. [appellant] en anderen stellen dat het vrachtverkeer van en naar de
inrichting ernstige verkeershinder op de Kanaalweg veroorzaakt.
8.1 De Wegenverkeerswet en daarop gebaseerde regelgeving bieden het primaire
toetsingskader voor verkeershinder. Daarnaast is plaats voor een aanvullende
toetsing in het kader van de Wet milieubeheer.
8.2. De gestelde verkeershinder kan worden voorkomen of beperkt indien het
vrachtverkeer gebruik maakt van de ontsluitingsweg aan de achterzijde van de
inrichting. Gelet hierop en op de situering van de in- en uitrit aan de
Kanaalweg, had het college moeten onderzoeken of het voorschrijven van een
routering mogelijk en geboden is. In dat verband is van belang dat - zoals het
college ter zitting heeft bevestigd - de ontsluitingsweg, die eigendom is van
[vergunninghoudster], deel uitmaakt van de inrichting. Het college heeft dit bij
de voorbereiding van het besluit miskend. Uit het bestreden besluit blijkt niet
dat de inrichting zoals deze is vergund mede de ontsluitingsweg omvat.
Het bestreden besluit is ten aanzien van de beoordeling van de verkeershinder
onzorgvuldig voorbereid.
Proceskosten
9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet
gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op
luchtkwaliteit en grondwaterverontreiniging;
II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;
III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders
van midden-drenthe van 1 maart 2011;
IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van midden-drenthe
aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep
betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig
euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt
ten opzichte van de anderen.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. Y.E.M.A.
Timmerman-Buck en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van
der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.
De Voorzitter w.g. Van der Maesen de Sombreff is verhinderd de uitspraak
ambtenaar van staat te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2012
190-732
|