|
Industrieterreinen worden kleiner door Raad van State uitspraken M+P, 16 maart 2009 Een reeks recente uitspraken van de Raad van State werpen volgens een memo van M+P Raadgevende ingenieurs naar aanleiding van een mini-symposium een nieuw licht op de fysieke begrenzing van gezoneerde industrieterreinen. Het lijkt er op dat veel industrieterreinen kleiner zijn en de geluidszones ruimer dan oorspronkelijk is beoogd.
Het probleem Veel bevoegde instanties hanteren bij de inrichting van industrieterreinen de systematiek van inwaartse zonering. Dat wil zeggen dat het midden van het industrieterrein is bestemd voor grote lawaaimakers (Wgh bedrijven) en het terrein daar omheen is gereserveerd voor bedrijven die voor geluid minder relevant zijn. In veel gevallen wordt het vestigingsbeleid afgedwongen door middel van gebiedsverbijzonderingen in het bestemmingsplan. Het is daarbij de gangbare praktijk dat de terreinen waarop de grote lawaaimakers zich niet mogen vestigen wél worden betrokken bij de vaststelling van de zonegrens. Door deze vorm van inwaarts zoneren is door de Raad nu een vette streep gehaald. Want, zo blijkt uit de uitspraken, de Raad is van oordeel dat de terreinen waar de vestiging van Wgh bedrijven in het bestemmingsplan is uitgesloten geen onderdeel uitmaken van het industrieterrein. Deze gronden dienen volgens de Raad dus niet te worden meegerekend bij de geluidsbelasting ten gevolge van het industrieterrein en bij de vaststelling van de zonegrens. De gevolgen Bestemmingsplanwijzigingen, waarbij de zone te ruim is vastgesteld, worden door de Raad van State op stelselmatige wijze vernietigd. In alle situaties, vijf tot nu toe, houdt de vigerende zone echter stand, ook wanneer die in het verleden ook al te ruim was vastgesteld. De vraag dient zich nu aan wat de gevolgen zijn voor bestaande industrieterreinen die destijds op – volgens de Raad - foutieve wijze zijn gezoneerd. Onder de aanwezigen op het mini-symposium bestaat de indruk dat dit het geval is bij meer dan helft van de Nederlandse industrieterreinen. De algemene consensus onder de deelnemers is dat bedrijven die zijn gevestigd op het deel van het terrein waar Wgh-bedrijven zijn uitgesloten zich formeel niet langer op het industrieterrein bevinden. Het terrein wordt dus gesplitst in een gezoneerd Wgh deel (het industrieterrein) en een deel dat moet worden beschouwd als bedrijventerrein. De gevolgen zijn groot:
|