Gehoor en klein vaarbewijs

Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 16 juni 2009 

Er zijn in de Tweede Kamer vragen gesteld door het kamerlid De Rouwe (CDA) over het feit dat mensen met doofheid aan één oor geen klein vaarbewijs kunnen verkrijgen. De vragen werden gesteld naar aanleiding van een artikel `De stilte heb ik al' uit het Tijdschrift Zeilen van februari 2009.

De staatssecretaris van V&W, mw. J.C. Huizinga-Heringa schrijft dat er eisen zijn gesteld aan de (medische) geschiktheid van de aanvrager van een klein vaarbewijs. Indien de aanvrager medisch ongeschikt is, kan er geen klein vaarbewijs worden verstrekt.

In de Regeling medische keuringen binnenvaart 2008 is met betrekking tot het gehoorvermogen het volgende bepaald:

  • Het gehoorvermogen is als voldoende te beschouwen, indien het gemiddelde gehoorverlies met elk oor afzonderlijk, de waarde van 40 dB niet overschrijdt voor de frequenties 500, 1000, 2000 en 3000 Hz.
  • Indien de waarde van 40 dB wordt overschreden, is het gehoorvermogen toch als voldoende aan te merken als met een hoortoestel, de conversatiespraak met elk oor afzonderlijk op 2 meter duidelijk wordt verstaan.

Het kamerlid wijst erop dat slechthorendheid en doofheid geen beletsel hoeven te zijn voor het behalen van het rijbewijs B, in tegenstelling tot hetgeen het geval is bij het klein vaarbewijs waarbij er wel eisen gesteld worden aan het gehoorvermogen. De Rouwe vraagt zicht af of er op dit punt met twee maten wordt gemeten,

Mw. Huizinga antwoordt hierop dat de Nederlandse wetgever heeft besloten de keuringseisen voor een klein vaarbewijs op het gebied van gehooreisen gelijk te stellen aan de internationale eisen zoals gesteld in het Patentreglement Rijn van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart. De achtergrond hiervan is dat het voor de veilige vaart van belang is dat schippers de diverse geluidsseinen kunnen herkennen en kunnen horen uit welke richting deze seinen komen. Zo moeten er bijvoorbeeld door de beroepsvaart geluidsseinen worden gegeven bij koersverandering en het inhalen van andere schepen.

De situatie op de weg, waar met optische signalen en door rijstrookkeuze duidelijk wordt gemaakt waar men heengaat, is anders dan op het water. Daar is dit minder duidelijk. De beoordeling van de geschiktheid om een auto of een schip te besturen vindt inderdaad op verschillende gronden plaats. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in zijn uitspraak van 10 juli 2002 (200104711/1) reeds aangegeven dat niet valt in te zien dat dit leidt tot willekeur en andere onverklaarbare rechtsongelijkheid.

De staatssecretaris acht het niet wenselijk om de regelgeving op dit punt aan te passen.

Bron: Via Nieuwsbank

home...