|
MER commissie zet kanttekeningen bij Wijziging Spoedwet MER commissie, oktober 2008 De Ministers van V&W en van VROM boden op 19 september een wetsvoorstel voor aanpassing van de Spoedwet wegverbreding en de Tracéwet aan de Tweede Kamer aan. Het wetsvoorstel leidt tot een belangrijke wijziging van het m.e.r.-stelsel bij alle wegaanpassingen. Zo vervallen inspraak bij de start van het project en onafhankelijke toetsing door de Commissie m.e.r. De Commissie voor de m.e.r. onderschrijft deze vereenvoudiging bij weinig ingrijpende aanpassingen als de aanleg van spitsstroken of plusstroken. Maar bij projecten met een substantiële uitbreiding van het aantal rijstroken blijft naar haar mening een zorgvuldiger procedure noodzakelijk. Deze mening wordt hieronder toegelicht. 1. Reikwijdte van het wetsvoorstel Het wetsvoorstel gaat terecht uit van een sterke vereenvoudiging van het regime voor milieueffectrapportage (m.e.r.) voor wegverbredingsprojecten vallend onder de Spoedwet wegverbreding. De belangrijkste vereenvoudigingen zijn het laten vervallen van: vroege inspraak de beschrijving van meerdere alternatieven toetsing van het milieueffectrapport (MER) door de Commissie voor de m.e.r. en de evaluatieplicht. De Commissie voor de m.e.r. vindt een dergelijke vereenvoudiging voor de hand liggend wanneer sprake is van eenvoudige, niet controversiële wegverbredingen, zoals de aanleg van spitsstroken en plusstroken. Immers, alternatieve inrichtingsopties zijn bij dit type projecten feitelijk niet aan de orde en de milieueffecten ten opzichte van de huidige situatie zullen beperkt zijn. Echter om ook bij wijziging van wegenprojecten in het kader van de Tracéwet een sterke vereenvoudiging van de m.e.r. procedure door te voeren, doet geen recht aan het complexe en controversiële karakter van deze projecten, waarbij verschillende belangen betrokken zijn. Het zou betekenen dat bij substantiële uitbreiding van wegen van bijvoorbeeld 2x3 naar 2x5 wegstroken, zoals nu aan de orde zijn bij de A15 en de A1, kwaliteitswaarborgen als vroegtijdige inspraak en onafhankelijke kwaliteitsborging komen te vervallen. Het is naar onze mening een ongewenste uitbreiding van de scope ten opzichte van het Kabinetstandpunt over het advies van de Commissie Elverding van 23 mei jl. Daarin geeft het Kabinet aan dat projecten in de herziene spoedwet zullen worden ondergebracht, waarneer de capaciteitsuitbreiding plaatsvindt ‘binnen het bestaand wegprofiel dan wel met een beperkte verbreding daarvan’. Het laten vervallen van de kwaliteitswaarborgen bij dit type projecten leidt tot vertraging van besluitvorming in plaats van versnelling. Zoals het advies van de Commissie Elverding en het kabinetstandpunt daarover aangeeft, staat of valt snellere besluitvorming met het investeren in kwaliteit en belangenafweging aan het begin van het proces. Het laten vervallen van vroegtijdige inspraakmogelijkheden bij complexe en controversiële projecten, waarin dit wetsvoorstel voorziet, is hiermee strijdig. Belanghebbenden zullen zich onvoldoende gehoord voelen. Het risico is aanwezig dat hun belangen in het MER niet of onvoldoende worden geadresseerd. Ook het wegvallen van onafhankelijke kwaliteitsborging zal bij dit type controversiële projecten leiden tot verminderd draagvlak voor het te nemen besluit. Het gegeven dat bij deze projecten de Rijksoverheid zelf zowel initiatiefnemer is als bevoegd gezag is een factor waar ons inziens rekening mee gehouden moet worden. Het schrappen van vroegtijdige inspraak en onafhankelijke kwaliteitsborging zal er toe leiden dat pas aan het eind van het planproces, bij de inspraak op een ontwerpbesluit zelf, óf na de rechter reparatie plaatsvindt met alle vertraging van dien. De Memorie van Toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel meldt dat de voorgestelde vereenvoudiging "deels vooruit (loopt) op de voorgenomen modernisering van nationale regelgeving over milieueffectrapportage". Echter in het wetsvoorstel modernisering m.e.r. is opgenomen dat besluiten in het kader van de Tracéwet vallen onder de categorie besluiten waarvoor juist extra waarborgen in de vorm van vroege inspraak en onafhankelijke kwaliteitsborging blijven bestaan. 2. Verminderen van de onderzoekslast Het wetsvoorstel voorziet tevens in vermindering van de onderzoekslast op het punt van de luchtkwaliteit op o.a. de volgende punten: 1. Het studiegebied wordt ingeperkt tot de eerstvolgende en de eerstvoorliggende afslag en 1 km aan weerszijden van de weg. Deze keuze voor de grootte van het studiegebied wordt niet onderbouwd en is ook niet in lijn met bestaande jurisprudentie. Tevens ontstaan niet te beargumenteren verschillen tussen projecten onderling; ligt de volgende afslag na 300 meter of na 10 km? Er van uit gaan dat de knelpunten buiten het gekozen studiegebied via het Nationaal Samenwerkingsproject Luchtkwaliteit (NSL) worden opgelost, is (juridisch) risicovol omdat op dit moment nog niet duidelijk is of en wanneer het NSL van kracht wordt. 2. Het wetsvoorstel legt daarnaast vast dat milieueffecten alleen bepaald behoeven te worden voor het eerste jaar na ingebruikname. Daarna wordt vertrouwd op het NSL, hetgeen de eerdergenoemde risico's met zich meebrengt. 3. Het wetsvoorstel stelt dat na het van kracht worden van het NSL projecten niet meer afzonderlijk op projectniveau behoeven te worden getoetst, maar alléén op programmaniveau. Individuele projecttoetsing aan grenswaarden zal naar de inschatting van de Commissie altijd nodig en, gezien eventuele beroepsprocedures, ook raadzaam blijven. Dit is onder andere af te leiden uit de parlementaire behandeling van de Wet luchtkwaliteit, verschillende juridische artikelen hierover en het advies van de Commissie Elverding. Op zijn minst zal ten behoeve van de besluitvorming over een specifiek project nagegaan moeten worden of de aannames gedaan in het NSL voor het project zelf en de effecten van maatregelen up-todate en juist zijn, en ook lokaal (dus niet alléén op programmaniveau) aan de grenswaarden wordt voldaan. Zie ook de voorlichting van de Raad van State over het NSL d.d. 1 juni 2006 (www.raadvanstate.nl, zaaknr. W08.06.0164/V). Bron: Website MER commissie |