|

|
Zaaknummer: |
200606710/1 en 18 andere nummers |
|
Publicatie datum: |
dinsdag 24 oktober 2006 |
|
Tegen: |
de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer |
|
Proceduresoort: |
Voorlopige voorziening |
|
Rechtsgebied: |
Kamer 2 - Milieu - Overige |
200606710/1, 200606712/1, 200606715/1, 200606716/1, 200606718/1,
200606721/1, 200606722/1, 200606724/1, 200606725/1, 200606726/1,
200606728/1, 200606729/1, 200606731/1, 200606732/1, 200606733/1,
200606734/1, 200606735/1, 200606736/1, 200606737/1.
Datum uitspraak: 24 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel
8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in de gedingen tussen:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
"ProRail
B.V.", gevestigd te Utrecht,
2. de naamloze vennootschap "Railion Nederland N.V.", gevestigd te Utrecht,
3. Zeeland Seaports, gevestigd te Terneuzen,
verzoekers,
en
de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 17 juli 2006 heeft verweerder onder meer voor de gevels
van de te saneren woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen gelegen
binnen de geluidszones langs de spoorgedeelten traject 660-661, km 3.000-20.400, traject
661, km 22.900-40.400 en traject 661-663, km 40.500-59.500 in de gemeenten Bergen op Zoom,
Roosendaal, Reimerswaal, Kapelle en Goes de ten hoogste toelaatbare waarden
van de geluidsbelasting vanwege deze spoorgedeelten vastgesteld, de aard van
de maatregelen vastgesteld conform het programma van maatregelen van
spoorwegexploitant
ProRail
en bepaald dat, tot de datum dat de ten hoogste toelaatbare waarden van de
geluidsbelasting worden beschouwd als geluidsproductieplafonds, de snelheid
van het goederenvervoer op deze trajecten beperkt moet worden tot maximaal
60 km per uur in de avond- en nachtperiode en het
aantal bakken beperkt dient te worden tot maximaal 260 per week in de
avondperiode en maximaal 344 per week in de nachtperiode.
Tegen deze besluiten hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Bij brief van 12
september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2006, heeft
verzoekster sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te
treffen. Bij brief van 12 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op
13 september 2006, heeft verzoekster sub 2 de Voorzitter verzocht een
voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 11 september 2006, bij de
Raad van State ingekomen op 12 september 2006, heeft verzoeker sub 3 de
Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 9 oktober 2006,
waar verzoekster sub 1, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden,
advocaat te Breda, en B. 't Mannetje, R. Lourijsen, J. Laveber en L.
Makkinga, verzoekster sub 2, vertegenwoordigd door mr. F.P.J.M. Otten,
advocaat te Utrecht, en ir. M.W.N.M. den Brok en mr. T.J.J. Kramer,
verzoeker sub 3, vertegenwoordigd door mr. J.M. van Koeveringe-Dekker,
advocaat te Middelburg, en mr. W. Klaassen, en verweerder, vertegenwoordigd
door mr. P.C. Cup, ir. D.G. de Gruijter en J.W. Takkenburg, ambtenaren van
het ministerie, zijn verschenen.
Verder zijn A. Reimerink, het college van burgemeester en wethouders van
Woensdrecht, het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal en
het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom,
vertegenwoordigd door ing. R.E.S.S. Vliex, ambtenaar van de Regionale
Milieudienst West-Brabant, en, voor zover het het college van burgemeester
en wethouders van Woensdrecht betreft, mr. K.C. de Rijk, ambtenaar van de
gemeente, de vereniging "Belangenvereniging Aanwonenden Spoorlijn",
vertegenwoordigd door ir. P.J. Gruijters, en de vereniging "Vereniging
Bewoners Belanghebbenden Bergen op Zoom en omgeving", vertegenwoordigd door
R.H. van der Pols daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster sub 2 en
verzoeker sub 3 geen belanghebbende zijn, omdat hun belang niet rechtstreeks
is getroffen.
Verzoekster sub 2 betoogt dat haar belang als enige vervoerder op de
betrokken trajecten wel rechtsreeks wordt geraakt door de bestreden
besluiten, nu deze ook een beperking van het aantal bakken in de avond
voorschrijven. Dit raakt de beheerder van het spoornet niet, maar haar als
vervoerder wel.
Verzoeker sub 3 betoogt dat haar belang wel rechtstreeks wordt geraakt, nu
zij als taak heeft de economische ontwikkeling, het beheer en de exploitatie
van de havens. De in de bestreden besluiten voorgeschreven beperkingen
betreffen de ontsluiting van de havens en belemmeren haar in haar
taakuitoefening.
De vraag of verzoekster sub 2 en verzoeker sub 3 belanghebbende zijn, dient
nader aan de orde te komen in het kader van de beslissing op bezwaar. De
Voorzitter gaat er voorshands, gelet op hetgeen partijen over en weer ter
zitting hebben aangevoerd, vanuit dat de bezwaren van deze verzoekers
ontvankelijk zijn.
2.2. In 2003 is het goederenvervoer in de nacht op het traject Bergen op
Zoom-Vlissingen uitgebreid. Aangenomen kan worden dat als gevolg van de
uitbreiding van het goederenvervoer omwonenden van de spoorweg
geluidoverlast kunnen ondervinden. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de
ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting vanwege de spoorweg
op enkele plaatsen is vastgesteld op 70 dB(A). Op 12 april 2006 heeft
verweerder aan verzoekster sub
1 in verband
met de ondervonden geluidsoverlast een last onder dwangsom opgelegd. Dit
besluit is door de Voorzitter van de Afdeling bij uitspraak van 23 mei
2006 in zaak no.
200603213/1 geschorst, onder meer omdat verweerder op korte termijn een
besluit tot het vaststellen van de ten hoogste toelaatbare waarden van de
geluidsbelasting en tot het vaststellen van de maatregelen die strekken tot
het terugbrengen van de geluidsbelasting zou nemen. Bij besluit van 14 juli
2006 heeft verweerder in verband met de in de onderhavige procedure
bestreden besluiten het besluit van 12 april 2006 ingetrokken.
2.3. De in het onderhavige besluit vastgestelde ten hoogste toelaatbare
waarden van de geluidsbelasting zullen op 1 januari 2009 worden beschouwd
worden als zogenoemd geluidsproductieplafond. In verband daarmee heeft
verweerder in het onderhavige besluit aanvullende maatregelen vastgesteld
omdat het zijns inziens onredelijk is dat de omwonenden van de spoorweg tot
die datum geluidoverlast ondervinden.
2.4. Verzoekers voeren, kort samengevat, aan dat de grondslag voor de door
verweerder voorgeschreven beperking van de snelheid en het aantal bakken in
de avond en de nacht ontbreekt. Ook is deze maatregel volgens hen
onvoldoende onderbouwd en ontbreekt een deugdelijke afweging van de
betrokken belangen. De maatregel heeft immers belangrijke consequenties voor
de inzet van locomotieven en personeel, voor de aansluitende treinpaden op
het overige netgedeelte en voor de internationale verbindingen.
2.5. De vraag of het Besluit geluidhinder spoorwegen (hierna: het bgs)
voorziet in de mogelijkheid van het treffen van aanvullende maatregelen
naast de maatregelen die strekken tot het terugbrengen van de
geluidsbelasting als bedoeld in artikel 27, negende lid, van het bgs, dient
nader onderzocht te worden in het kader van de beslissing op bezwaar. Ook de
vraag of artikel 26a van het bgs van overeenkomstige toepassing is op deze
aanvullende maatregelen dient nader onderzocht te worden. De Voorzitter gaat
er, anders dan verzoekers, voorshands vanuit dat het bepaalde in het bgs
niet uitsluit dat verweerder bevoegd is de onderhavige maatregelen voor te
schrijven.
2.6. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het naleven van een
maximum snelheid van
60 km per uur
over het gehele traject leidt tot een vertraging van 15 minuten. Dit levert
problemen op voor de aansluitingen op het overige netgedeelte, in verband
hiermee voor de inzet van locomotieven en personeel en voor de
dienstregeling in het algemeen.
Wel is ter zitting namens verzoekster sub 2 verklaard dat het mogelijk is in
de nacht voor de woonkernen Bergen op Zoom, Reimerswaal, Goes en Kapelle "uit
te rollen", in deze woonkernen
60 km te rijden en daarna weer snelheid te
vermeerderen. Namens verzoekster sub 2 is eveneens verklaard dat ongeveer
1,5 maand is vereist om een dergelijke maatregel in te voeren.
2.7. Ter zitting is geen duidelijkheid verkregen over de aard en omvang van
de beperkingen op het emplacement Sloe. In verband daarmee is niet duidelijk
of het terugbrengen van het aantal bakken in de avond en de nacht daar tot
problemen leidt. Wel is duidelijk dat het terugbrengen van het aantal bakken
moet leiden tot het aanpassen van de dienstregeling. Hoeveel tijd daarvoor
vereist is, is evenmin duidelijk geworden. Verzoekster sub 2 gaat ervan uit
dat daarvoor 1,5 jaar vereist is.
2.8. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te
melden voorlopige voorziening te treffen. Ten aanzien van het overige wijst
de Voorzitter het verzoek af.
2.9. Verweerder dient ten aanzien van verzoekster sub 1 en verzoekster sub 2
op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien
van verzoeker sub 3 is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in
aanmerking komen.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van 17 juli
2006, kenmerken LMV 2006254993, LMV 2006255017, LMV 2006255753, LMV
2006256108, LMV 2006280639 LMV 2006282872, LMV 2006283229, LMV 2006283231,
LMV 2006283234, LMV 2006283235, LMV 2006283368 LMV 2006283379, LMV
2006283383, LMV 2006283521, LMV 2006284267, LMV 2006284417, LMV 2006284587,
LMV 2006284694, LMV 2006284998, voor zover het de in artikel 3, eerste lid,
genoemde maatregelen betreft, behoudens voor zover deze de strekking hebben
de maximumsnelheid van het goederenvervoer op de betrokken trajecten te
beperken tot
60 km per uur
in de nacht in de woonkernen van Goes, Kapelle, Reimerswaal en Bergen op
Zoom. Deze voorziening treedt 6 weken na de verzending van deze uitspraak in
werking;
II. wijst het verzoek voor het overige af;
III. veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij verzoekster sub
1 in verband met de behandeling van het verzoek
opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 986,37 (zegge:
negenhonderdzesentachtig euro en zevenendertig cent), waarvan een gedeelte
groot € 966,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan verzoekster sub
1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer tot vergoeding van bij verzoekster sub
2 in verband met de behandeling van het verzoek
opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 986,37 (zegge:
negenhonderdzesentachtig euro en zevenendertig cent), waarvan een gedeelte
groot € 966,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan verzoekster sub
2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
IV. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan verzoekers het door hen voor de
behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 5339,00
(zegge: vijfduizenddriehonderdnegenendertig euro) voor verzoekster sub 1, €
5339,00 (zegge: vijfduizenddriehonderdnegenendertig euro) voor verzoekster
sub 2 en € 5339,00 (zegge: vijfduizenddriehonderdnegenendertig euro) voor
verzoeker sub 3 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in
tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Sparreboom
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2006 |