In twee uitspraken gaat de Raad van State in op de situatie rond emplacement Nijmegen.
In de eerste, 200408900/1, wordt het beroep van ProRail uit Zwolle tegen de dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen in juni 2004 aan ProRail heeft opgelegd ongegrond verklaard. De dwangsom bedraagt 10.000,= per keer dat ProRail de geluidsvoorschriften van de milieuvergunning overschrijdt die aan haar is verleend voor het spooremplacement aan het Stationsplein 1-5 in Nijmegen. ProRail stelt dat het dwangsombesluit slechts is gebaseerd op een eenmalige overtreding in de nacht van 27 op 28 april 2004.
De tweede uitspraak, 200500795/1 betreft een verzoek om handhaving van de voorschriften gedaan door inwoners van Nijmegen. De Raad van State verklaart dit beroep gegrond. Bij besluit van 30 augustus 2004, kenmerk G620/04.00367.17, heeft de gemeente afgewezen een verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van ProRail met betrekking tot het spoorwegemplacement, gelegen op het perceel Stationsplein 1-5 te Nijmegen.
Hieronder de volledige tekst van de uitspraken
Uitspraak Zaaknummer: 200408900/1 Publicatie datum: woensdag 8 juni
2005 Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen
Proceduresoort: Eerste aanleg - enkelvoudig Rechtsgebied: Kamer 2 - Milieu -
Bestuursdwang / Dwangsom
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Railinfrabeheer B.V.",
tevens handelend onder de naam "ProRail B.V.", gevestigd te Zwolle, appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen, verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2004, kenmerk G620/4.0030330, heeft verweerder aan
appellante een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht opgelegd wegens het overtreden van voorschrift
10.2 dat is verbonden aan de krachtens de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wm)
aan appellante verleende vergunning van 17 juni 2003, kenmerk WM 365/96. De
dwangsom is vastgesteld op € 10.000,- per keer dat voorschrift 10.2 op het
spoorwegemplacement van appellante, gelegen op het perceel Stationsplein 1-5 te
Nijmegen, wordt overtreden. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt
verbeurd is vastgesteld op € 50.000,-. Voor de last onder dwangsom gold een
begunstigingstermijn van vier weken.
Bij ongedateerd besluit, verzonden op 23 september 2004, met kenmerk
G140/4.34648 en 04.0036715 heeft verweerder het hiertegen door appellante
gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de begunstigingstermijn verlengd tot zes
weken na verzending van dat besluit.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 november 2004, bij de Raad
van State per faxbericht ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.
Bij op 2 februari 2005 verzonden brief heeft verweerder een verweerschrift
ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een
enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2005, waar
appellante, vertegenwoordigd door mr. H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam, en
J.Y.M. Lafeber, C. Mensink en ing. C.T.M. Bomers, gemachtigden, en verweerder,
vertegenwoordigd door mr. S.G. Blasweiler, mr. I.M.I. van den Bergh en B.L.T.M.
Overes, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats
daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding
ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de
overtreding te voorkomen.
Ingevolge het derde lid wordt voor het opleggen van een last onder dwangsom
niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te
beschermen, zich daartegen verzet.
Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op
een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is
uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens
een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde
bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden
belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.
Ingevolge het vijfde lid wordt in de beschikking die strekt tot het ongedaan
maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn
gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een
dwangsom wordt verbeurd.
2.2. Appellante betoogt dat aan het in bezwaar gehandhaafde dwangsombesluit
slechts een eenmalige overtreding in de nacht van 27 op 28 april 2004 is vooraf
gegaan. De in het primaire besluit genoemde geluidmeting in de nacht van 25 op
26 februari 2003 had volgens appellante niet mede aan dat besluit ten grondslag
mogen liggen.
2.2.1. Verweerder stelt dat uit metingen is gebleken dat het
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau werd overschreden. Er is geen sprake van
een incidentele overtreding, aldus verweerder.
2.2.2. Voor zover appellante met deze beroepsgrond beoogt te stellen dat
verweerder niet bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen ter zake van de
overtreding van voorschrift 10.2, verbonden aan de op 17 juni 2003, kenmerk WM
365/96, aan appellante verleende vergunning, overweegt de Afdeling dat indien
een aan een vergunning verbonden voorschrift niet wordt nageleefd, het bevoegde
gezag bevoegd is de naleving daarvan met het treffen van bestuurlijke
handhavingsmaatregelen af te dwingen. De omstandigheid dat een overtreding een
incidenteel karakter heeft, maakt dit niet anders.
De Afdeling constateert dat ingevolge voorschrift 10.2 van de vergunning met
ingang van 1 januari 2004, of zoveel eerder als de ombouwwerkzaamheden van het
emplacement zijn beëindigd, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT)
van het invallend geluid, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige
toestellen, werktuigen en activiteiten, ter plaatse van de in Bijlage III
aangegeven beoordelingspunten niet meer mag bedragen dan 55, 50 en 45 dB(A) in
respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In een in opdracht van
verweerder opgesteld geluidrapport van 12 mei 2004 zijn de bevindingen
neergelegd van een geluidmeting in de nacht van 27 op 28 april 2004. Vermeld
wordt dat op beoordelingspunt 21, dat zich op ongeveer 7 meter van de ter
plaatse aanwezige woningen bevindt, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in
de nachtperiode 50,1 dB(A) bedroeg. In het bestreden besluit is overwogen dat
met inachtneming van de situering van de meetpositie, de gevelreflectie en de
meteocorrectie zich een normoverschrijding van ten minste 3 dB(A) heeft
voorgedaan. Appellante heeft deze overtreding niet betwist, zodat de conclusie
is dat is gehandeld in strijd met voorschrift 10.2 en dat verweerder terzake
handhavend kon optreden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van
overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om
met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze
bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag
van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen
indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden
zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van
optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.3. Appellante voert - kort weergegeven - als bijzondere omstandigheid aan
dat de Afdeling bij uitspraak van 21 juli 2004 in zaak no. 200305297/1 het
besluit tot vergunningverlening van verweerder wat betreft de voorschriften
10.4, 10.5 en 10.6 heeft vernietigd. Omdat daardoor ten tijde van het bestreden
besluit geen piekgeluidnormen golden, had naar zij stelt de bijdrage van het
zogenoemde booggeluid niet meegenomen mogen worden bij de vaststelling van het
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de nachtperiode. Daarbij wijst zij erop
dat eerst op 1 januari 2005 maatregelen moesten zijn getroffen om de
booggeluiden te reduceren. Appellante betoogt voorts dat het booggeluid niet aan
de voorgeschreven piekgeluidgrenswaarden kon voldoen.
2.3.1. Verweerder heeft in de omstandigheid dat nader onderzoek diende te
worden verricht naar booggeluiden geen reden gezien om de naleving van
voorschrift 10.2 niet af te dwingen. Daarbij heeft verweerder betekenis
toegekend aan de omstandigheid dat voorschrift 10.2 onherroepelijk is. Daarnaast
acht verweerder de naleving van voorschrift 10.2 haalbaar, onder meer door het
treffen van organisatorische maatregelen.
2.3.2. De Afdeling oordeelt als volgt. Appellante had er op grond van de bij
het besluit van 17 juni 2003, kenmerk WM 365/96, aan haar verleende vergunning
rekening mee moeten houden dat zij voormeld voorschrift 10.2 uiterlijk met
ingang van 1 januari 2004 diende na te leven. Weliswaar bepalen de grenswaarden
voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau het aantal toegestane pieken,
waaronder die van het booggeluid, en zijn bij uitspraak van de Afdeling van 21
juli 2004 in de zaak no. 200305297/1 de aan genoemde vergunning verbonden
voorschriften betreffende de piekgeluiden vernietigd, maar dit laat onverlet dat
appellante daarmee in het kader van de naleving van het in stand gebleven
voorschrift 10.2 rekening had kunnen - en derhalve moeten - houden. De enkele
omstandigheid dat de pieken van het booggeluid tijdelijk niet aan een norm
behoefden te voldoen kan daarom niet worden beschouwd als een bijzondere
omstandigheid op grond waarvan verweerder ten aanzien van de niet-naleving van
de in voorschrift 10.2 neergelegde norm voor het langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau van handhaving had moeten afzien. Bovendien staat als door
appellante onvoldoende weersproken vast dat de door verweerder in de nacht van
27 op 28 april 2004 geconstateerde overtreding in niet onbelangrijke mate werd
veroorzaakt door onnodige gedragingen van personeel van appellante en voorts dat
met een deel van de door verweerder in het bestreden besluit genoemde
(organisatorische) maatregelen een zekere geluidreductie kan worden bereikt. Wat
betreft de door appellante aangevoerde omstandigheid dat slechts eenmaal is
geconstateerd dat de voorgeschreven norm werd overschreden, geldt dat dit gezien
de aard van de voorgeschreven norm nog niet impliceert dat het slechts om een
incidentele overtreding gaat.
Gelet op het vorenstaande is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op
grond waarvan moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid heeft
mogen besluiten tot het treffen van de door hem genomen bestuurlijke
handhavingsmaatregelen. De grond treft geen doel.
2.4. Appellante stelt dat in het besluit geen overwegingen met betrekking tot
de begunstigingstermijn zijn opgenomen. Zij voert aan dat de
begunstigingstermijn te kort is.
2.4.1. Verweerder meent een voldoende lange begunstigingstermijn gesteld te
hebben door in de beslissing op bezwaar de begunstigingstermijn te verlengen met
twee weken tot een termijn van zes weken vanaf de dag na verzending van die
beslissing.
2.4.2. Inderdaad is in het bestreden besluit de begunstigingstermijn gesteld
op zes weken vanaf de dag na de verzenddatum van die beslissing. In de
omstandigheid dat verweerder de verlenging van de begunstigingstermijn niet
uitgebreid heeft gemotiveerd, ziet de Afdeling geen reden voor vernietiging van
het besluit. Voor zover de grond van appellante zich keert tegen de lengte van
de begunstigingstermijn, is de Afdeling van oordeel dat uit hetgeen is
aangevoerd en uit de stukken naar voren is gekomen, niet is gebleken dat sprake
is van een onredelijk bezwarend korte termijn. Ook in dit opzicht heeft de
Afdeling in aanmerking genomen dat appellante er vanaf bedoeld besluit van 17
juni 2003, kenmerk WM 365/96 rekening mee had moeten houden dat zij uiterlijk
met ingang van 1 januari 2004 voorschrift 10.2 zou moeten naleven. Deze
beroepsgrond mist derhalve doel.
2.5. Appellante stelt de hoogte van € 10.000,- van de opgelegde last onder
dwangsom onredelijk bezwarend en te hoog te vinden. Dit met name in het licht
van de zwaarte van de begane overtreding. Volgens appellante dient een geringere
overschrijding een lager dwangsombedrag tot gevolg te hebben. Nu in de
beslissing op bezwaar de overtreding is gecorrigeerd van 5,1 dB(A) in het
primaire besluit tot 3 dB(A), had het dwangsombedrag verlaagd moeten worden,
aldus appellante.
2.5.1. Verweerder stelt dat de hoogte van de overschrijding niet bepalend is
voor het vaststellen van de hoogte van de dwangsom. Hij meent in dit verband dan
ook geen onredelijk hoge dwangsom opgelegd te hebben.
2.5.2. De Afdeling oordeelt op grond van de stukken en het verhandelde ter
zitting dat het vastgestelde bedrag in redelijke verhouding staat tot de zwaarte
van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. De
omstandigheid dat in het primaire besluit de dwangsom even hoog was terwijl
verweerder er toen vanuit was gegaan dat de geconstateerde overschrijding groter
was, maakt dit niet anders. De grond faalt.
2.6. Het beroep is ongegrond.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in
tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.
w.g. Mouton w.g. Van Heusden Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van
Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005
163-484.
Uitspraak
Zaaknummer: 200500795/1 Publicatie datum: woensdag 8 juni 2005 Tegen: het
college van burgemeester en wethouders van Nijmegen Proceduresoort: Eerste
aanleg - enkelvoudig Rechtsgebied: Kamer 2 - Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen, verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 30 augustus 2004, kenmerk G620/04.00367.17, heeft verweerder
afgewezen een verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke
handhavingsmiddelen ten aanzien van NS Railinfrabeheer B.V., tevens h.o.d.n.
ProRail B.V. (hierna te noemen: ProRail B.V.) met betrekking tot het
spoorwegemplacement, gelegen op het perceel Stationsplein 1-5 te Nijmegen.
Bij ongedateerd besluit, kenmerk G140/04.0052067, verzonden op 15 december
2004, heeft verweerder het hiertegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond
verklaard.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 januari 2005, bij de
Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.
Bij op 17 februari 2005 verzonden brief heeft verweerder een verweerschrift
ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een
enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2005, waar
appellanten, van wie [gemachtigde] in persoon, bijgestaan door mr. F.F. Scheffer,
advocaat te Deventer, verweerder, vertegenwoordigd door mr. S.G. Blasweiler, mr.
I.M.I. van den Bergh en B.L.T.M. Overes, ambtenaren van de gemeente en ProRail
B.V., vertegenwoordigd door mr. H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam, en J.Y.M.
Lafeber, C. Mensink en ing. C.T.M. Bomers, gemachtigden, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellanten hebben bij brief van 15 juli 2004, voor zover thans van
belang, verzocht om het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen ten
aanzien van een vermeende overtreding door ProRail B.V. van de voorschriften
10.7 tot en met 10.10 van de aan haar verleende vergunning krachtens de Wet
milieubeheer.
In voorschrift 10.2 zijn grenswaarden voor het LAr,Lt opgenomen. Voorschrift
10.7 van de vergunning bepaalt dat de vergunninghouder teneinde aan voorschrift
10.2 te kunnen voldoen door middel van een akoestisch onderzoek dient na te gaan
op welke manier en op welke termijnen (voor 1 januari 2004) de noodzakelijke
geluidreductie zal worden bewerkstelligd.
Voorschrift 10.8 (richtlijn akoestisch onderzoek) somt de technische en
organisatorische maatregelen en mogelijke combinaties daarvan op in het
akoestisch onderzoek die dienen te worden onderzocht. In voorschrift 10.9
(richtlijn rapportage onderzoek, termijnen) is de aanvangstermijn van het
akoestisch onderzoek geregeld. Ingevolge voorschrift 10.10 dienen de resultaten
van het onderzoek in de vorm van een akoestisch rapport onverwijld na afronding
van het onderzoek en uiterlijk 1 juli 2003 te worden overgelegd ter
schriftelijke goedkeuring. Verder bepaalt dit voorschrift welke informatie het
rapport ten minste moet bevatten.
ProRail B.V. heeft door het onderzoeksbureau DGMR een akoestisch onderzoek
laten verrichten, waarvan een rapport is opgemaakt, genummerd G.1994.0669.E en
gedateerd 19 december 2003.
2.2. Appellanten stellen dat verweerder de deugdelijke naleving van de
voorschriften 10.7 tot en met 10.10 van de vergunning dient af te dwingen met
handhavingsmaatregelen. Daartoe voeren zij aan dat in strijd met voorschrift
10.8 van de vergunning niet alle hierin opgesomde maatregelen in het akoestisch
rapport zijn nagelopen. Zij betogen dat ten onrechte geen onderzoek is verricht
naar de door de inrichting veroorzaakte piekgeluiden. Tevens betogen appellanten
dat het rapport niet alle elementen bevat die voorschrift 10.10 vereist.
2.2.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat
handhavingsmaatregelen te treffen ten aanzien van de voorschriften 10.7 tot en
met 10.10. Daartoe heeft verweerder in zijn besluit overwogen dat het akoestisch
rapport voldoet aan genoemde voorschriften en daarom ook door hem is
goedgekeurd. Het tegen de goedkeuring door appellanten gemaakte bezwaar is door
verweerder bij het op 23 september 2004 verzonden besluit, kenmerk
G140/04.00367.17, niet-ontvankelijk verklaard. Omdat geen bezwaarmogelijkheid
openstaat tegen de goedkeuring is volgens verweerder ook geen gegrond verzoek
tot handhaving van de voorschriften mogelijk.
2.2.2. De Afdeling stelt vast dat verweerder het akoestisch rapport op 7 juni
2004 heeft goedgekeurd. Bij het op 23 september 2004 verzonden besluit heeft
verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar van appellanten niet-ontvankelijk
verklaard. Bij uitspraak van 9 februari 2005 in zaak no. 200409482/2 heeft de
Afdeling na vereenvoudigde behandeling dit besluit vernietigd op grond van de
overweging dat de goedkeuring van het rapport op rechtsgevolg is gericht en
mitsdien een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht, waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Bij uitspraak van heden
in zaak no. 200409482/3 heeft de Afdeling het door verweerder tegen voormelde
uitspraak van 9 februari 2005 gedane verzet ongegrond verklaard. Verweerder zal
derhalve alsnog op het bezwaarschrift van appellanten tegen het besluit tot
goedkeuring van het akoestisch rapport dienen te beslissen.
Nu verweerder de weigering handhavingsmaatregelen te treffen heeft
gemotiveerd door te verwijzen naar de goedkeuring van het rapport en betekenis
heeft toegekend aan de omstandigheid dat daartegen geen rechtsmiddelen kunnen
worden aangewend, is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is
gegrond, in verband waarmee het besluit wordt vernietigd.
2.3. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden
veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het op 15 december 2004 verzonden besluit van het college van
burgemeester en wethouders van Nijmegen, kenmerk G140/04.0052067,;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen tot
vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep
opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 760,80 (zegge: zevenhonderdzestig
euro en tachtig cent); het dient door de gemeente Nijmegen aan appellanten onder
vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
IV. gelast dat de gemeente Nijmegen aan appellanten het door hen voor de
behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00
(zegge: honderzesendertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in
tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.
w.g. Mouton w.g. Van Heusden Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van
Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005.
163-484
Bron: website Raad van State, www.raadvanstate.nl