Raad van State, 13 juli 2005
In een uitspraak van de Raad van State zijn verleende hogere waarden vernietigd, omdat onvoldoende is onderzocht welke maatregelen aan een spoorbrug kunnen worden getroffen, en met name er langzamer overheen te rijden. De stelling van ProRail ter zitting, dat het terugbrengen van de snelheid tot een onevenredige capaciteitsreductie leidt is niet onderbouwd. Hieronder de volledige tekst van de uitspraak.
Zaaknummer: 200407033/1
Publicatie datum: woensdag 13 juli 2005
Tegen: het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Kamer 2 - Milieu - Wet geluidhinder
--------------------------------------------------------------------------------
200407033/1.
Datum uitspraak: 13 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], gevestigd respectievelijk wonend te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 november 2003, kenmerk DGWM/2003/14798A, heeft verweerder
op het op 29 juli 2003 bij hem ingekomen verzoek van NS Railinfrabeheer B.V.
hogere waarden voor de geluidbelasting vanwege een spoorweg als bedoeld in
artikel 83, tweede en vijfde lid, en artikel 106d, tweede lid, van de Wet
geluidhinder vastgesteld voor bestaande woningen aan de Krimweg 2, 4, 6 en 12 te
Oostvoorne.
Bij besluit van 8 juli 2004, kenmerk DGWM/DMB/04/5261, verzonden op 13 juli
2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 augustus 2004, bij de
Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn
aangevuld bij brief van 20 september 2004.
Bij brief van 26 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke
Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 5 april 2005.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2005, waar
appellanten, vertegenwoordigd door mr. H.A. Steendam, advocaat te Dordrecht, en
ing. J.B. Cozijns, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A. den
Breejen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Tevens is NS
Railinfrabeheer B.V. vertegenwoordigd door E. Talacua en J.J. van Willigenburg,
gemachtigden, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1.1. Appellanten voeren aan dat vanwege de aanpassing van de spoorlijn een
milieueffectrapport had moeten worden opgesteld. Zij zijn van mening dat
verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de vraag of er sprake is
van een MER-plicht bij de vaststelling van hogere waarden ingevolge de Wet
geluidhinder niet relevant is.
2.1.2. Verweerder stelt dat de vraag of er sprake is van een MER-plicht bij
de vaststelling van hogere geluidgrenswaarden ingevolge de Wet geluidhinder geen
rol kan spelen.
2.1.3. Op grond van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit
Milieu-effectrapportage 1994 bestaat een zogenoemde MER-plicht voor de aanleg,
wijziging of uitbreiding van een landelijke spoorweg. De Afdeling overweegt dat
de vraag of er in de onderhavige situatie een MER-plicht bestaat dient te worden
beantwoord bij de vaststelling van het tracé of plan dat in de mogelijke aanleg,
wijziging of uitbreiding voorziet. Het bestreden besluit ziet op de vaststelling
van hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder. Bij een dergelijk besluit
speelt de vraag of er een milieueffectrapport dient te worden opgesteld geen
rol. Deze beroepsgrond treft geen doel.
2.2. Appellanten voeren aan dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft
waarom is afgezien van een geluidreductie door middel van de toepassing van
bron- en overdrachtsmaatregelen. In dit kader wijzen zij met name op een
mogelijke verlaging van de rijsnelheid.
2.2.1. Verweerder voert aan dat uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat
de geluidreductie door middel van overdrachtsmaatregelen zoals het plaatsen van
een geluidscherm niet in een redelijke verhouding staat tot de daarmee gemoeid
gaande kosten.
2.2.2. Op grond van artikel 11, vierde lid, van het Besluit geluidhinder
spoorwegen kan een hogere grenswaarde dan de voorkeursgrenswaarde van 57 dB(A)
worden vastgesteld als de toepassing van maatregelen, gericht op het
terugbrengen van de geluidbelasting, vanwege de spoorweg, van de uitwendige
scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot de ingevolge het eerste of
tweede lid geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende
doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van
stedebouwkundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.
2.2.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de
Suurhoffbrug maatgevend is voor de geluidbelasting en dat het niet mogelijk is
afdoende maatregelen aan de brug te treffen om de geluidbelasting tot het
wettelijk aanvaardbare niveau terug te dringen. Bovendien blijkt dat de kosten
van dergelijke overdrachtsmaatregelen dusdanig hoog zullen zijn dat ze niet in
een redelijke verhouding staan tot de kosten voor het treffen van
gevelmaatregelen aan de betrokken woningen.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt tevens dat de
rijsnelheid bij de Suurhoffbrug rond de 80 kilometer per uur zal komen te
liggen. Uit het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting komt naar
voren dat een snelheidsvermindering mogelijk een niet onaanzienlijke
geluidreductie kan opleveren. Uit het bij het verzoek om vaststelling van hogere
waarden overgelegde akoestische rapport kan echter niet worden afgeleid welke
gevolgen het terugbrengen van de rijsnelheid op de brug zal hebben op de
geluiduitstraling daarvan. Dit maakt onduidelijk in hoeverre de geluidbelasting
kan worden teruggebracht door het verlagen van de snelheid op de Suurhoffbrug.
De ter zitting door verweerder aangevoerde stelling dat het terugbrengen van de
snelheid tot een onevenredige capaciteitsreductie leidt is niet onderbouwd. Van
de aanwezigheid van overwegende bezwaren van vervoerskundige aard is derhalve
niet gemotiveerd gebleken.
Uit het vorenstaande volgt dat het besluit tot stand is gekomen in strijd met
de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid. Het
beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in
aanmerking. De overige gronden behoeven geen bespreking meer.
2.3. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden
veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van
Zuid-Holland van 8 juli 2004, kenmerk DGWM/DMB/04/5261;
III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot
vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep
opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 756,84, waarvan een gedeelte groot €
644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan appellanten onder
vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
IV. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de
behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00
vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en
mr. J.G.C. Wiebenga en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van drs.
G.K. Klap, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005
Bron: Website Raad van State,
www.raadvanstate.nl