De Raad van State heeft op 7 april 2004 uitspraak gedaan omtrent een besluit van de Provincie Friesland niet handhavend op te treden tegen een bedrijf voor de inzameling van oud ijzer en andere materialen aan de Zwarteweg in Koudum. In beroep wordt onder meer gesteld dat het bedrijf te veel geluidsoverlast veroorzaakt.
De bewoner ondervindt geluidoverlast vanwege de bedrijfsactiviteiten die door vergunninghoudster worden uitgeoefend op het terrein van de inrichting. Het terrein van de inrichting grenst aan het perceel van bewoner. Hij betoogt dat de geluidgrenswaarden die zijn gesteld in de ten behoeve van de inrichting verleende milieuvergunning van 22 februari 1994 worden overtreden. Dit wordt veroorzaakt door met name het op- en overslaan van schroot en de daarmee samenhangende activiteiten, aldus appellant.
De Afdeling overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat ten tijde van het primaire besluit de geluidvoorschriften niet werden nageleefd, zodat verweerder destijds in zoverre bevoegd was tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen.
De bevoegdheid van de provincie tot het treffen van bestuurlijke handhavingsmiddelen betekent echter niet zonder meer dat de provincie handhavend had moeten optreden; er kunnen zich situaties voordoen waarin, na afweging van de betrokken belangen, daarvan mag worden afgezien. De provincie heeft naar voren gebracht dat de vergunde activiteiten niet aan de geldende geluidvoorschriften kunnen voldoen. Naleving van deze voorschriften zou leiden tot een beëindiging van de vergunde activiteiten. Dit zou onredelijk zijn ten opzichte van vergunninghoudster. Bovendien is, volgens verweerder, gelet op de korte periode per dag dat de geluidveroorzakende activiteit, het op- en overslaan van oud ijzer, plaatsvindt, geen sprake van onaanvaardbare hinder. Daarnaast heeft verweerder naar voren gebracht dat vergunninghoudster zal worden verzocht binnen een daartoe gestelde periode een revisievergunning aan te vragen.
De Afdeling stelt vast dat de geluidhinder veroorzakende activiteiten met oud ijzer zijn toegenomen ten opzichte van hetgeen in 1994 is vergund. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was nog geen ontwerp-besluit strekkende tot het verlenen van een revisievergunning genomen; er lag zelfs nog geen door verweerder in behandeling genomen aanvraag om deze revisievergunning voor, zodat legalisering van niet-vergunde activiteiten niet op korte termijn was te verwachten. Voor verweerder kon daarin geen aanleiding worden gevonden om niet handhavend op te treden
De Afdeling stelt vast dat in de aan de vergunning van 22 februari 1994
verbonden voorschriften 1 en 2 geluidgrenswaarden zijn gesteld ten behoeve van
het in werking zijn van de inrichting. De grenswaarde voor het equivalente
geluidniveau voor de dagperiode is daarbij vastgesteld op 50 dB(A) op onder meer
de gevel van de woning van appellant. Verder mogen de piekgeluiden in de
dagperiode, gemeten in meterstand “fast”, niet meer bedragen dan 70 dB(A).
Blijkens een akoestisch rapport van 17 januari 2002 van dgmr Raadgevend
Ingenieurs B.V. met kenmerk T.01.0393.A, opgesteld ten behoeve van een gewenste
uitbreiding van de winkel en het magazijn van inrichting, wordt bij het in
werking zijn van de inrichting het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50
dB(A) in de dagperiode bij de woning van appellant met 12 dB(A) overschreden.
Voorts wordt de piekgeluidgrenswaarde van 70 dB(A) met 14 dB(A) overschreden. De Afdeling
acht het aannemelijk dat de vastgestelde equivalente geluidgrenswaarde aanzienlijk wordt overschreden en dat appellant als gevolg
daarvan een grote mate van hinder ondervindt. Dat
activiteiten van het bedrijf, volgens de provincie, slechts gedurende een korte periode per dag
plaatsvinden, doet hieraan niets af. Nu in dat
geval een zeer aanzienlijke geluidemissie dient te worden geproduceerd, wil de
geluidemissie vanwege deze activiteiten binnen een korte periode tot een
dergelijke overschrijding van de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau leiden.
Gelet hierop is het bestreden besluit in dit opzicht in strijd met artikel
7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin, voor zover hier van
belang, is bepaald dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een
deugdelijke motivering. De omstandigheid dat de geluidgrenswaarden behorende bij
de vergunning van 22 februari 1994 niet konden worden nageleefd, wat daar
overigens ook van zij, vermag daarbij niet tot een ander oordeel leiden.
Onder andere op grond hiervan vernietigt de Afdeling het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân.
Hieronder de tekst van de volledige uitspraak
Zaaknummer: 200304641/1 en 200306380/1
Publicatie datum: woensdag 7 april 2004
Tegen: het college van gedeputeerde staten van Fryslân
Proceduresoort: Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied: Kamer 2 - Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
--------------------------------------------------------------------------------
200304641/1 en 200306380/1. Datum uitspraak: 7 april 2004
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Fryslân, verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 januari 2003, kenmerk 508272, heeft verweerder een verzoek
van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking
tot een inrichting voor onder het inzamelen van oud ijzer en andere metalen,
gelegen aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.
Tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het hiertegen ingestelde
bezwaar heeft appellant bij brief van 11 juli 2003, bij de Raad van State
ingekomen op 15 juli 2003, beroep ingesteld.
Bij besluit van 12 augustus 2003, kenmerk 530178, heeft verweerder het
bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Bij brief van 10 september 2003, bij
de Raad van State ingekomen op 24 september 2003, heeft appellant beroep
ingesteld.
Bij brief van 4 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant.
Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een
enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2004, waar
appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door M.J.M. Roetgerink,
H. Poolman en N. de Bruin, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord Handelsonderneming [vergunninghoudster],
vertegenwoordigd door [gemachtigde].
2. Overwegingen
2.1. Ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
op het bezwaarschrift overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat appellant
nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep, nu verweerder
bij besluit van 12 augustus 2003 alsnog op het bezwaarschrift heeft besloten.
Derhalve is het beroep voorzover gericht tegen het niet tijdig nemen van een
besluit op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk.
2.2. Artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat
het bezwaar of beroep tegen het uitblijven van een besluit mede wordt geacht te
zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het
bezwaar of beroep geheel tegemoet komt. Dit houdt in dat indien tijdens het
beroep bij de rechter tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar
en alsnog een reële beslissing op bezwaar wordt genomen, het beroep wordt geacht
mede te zijn gericht tegen die reële beslissing.
Gelet hierop moet het beroep dat appellant heeft ingesteld op 11 juli 2003
worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 12 augustus 2003.
Aangezien appellant tegen dit besluit afzonderlijk beroep heeft ingesteld bij
brief van 10 september 2003 behoeft het eerstbedoelde beroep voorzover dat tegen
dit besluit is gericht geen afzonderlijke bespreking.
2.3. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het
gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder
bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een
bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig
wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of
nagelaten.
Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een
bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan
de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Ingevolge artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan een ieder
aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang,
oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of
ontheffing, verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven.
2.4. Appellant voert aan geluidoverlast te ondervinden vanwege de
bedrijfsactiviteiten die door vergunninghoudster worden uitgeoefend op het
terrein van de onderhavige inrichting. Het terrein van de inrichting grenst aan
het perceel van appellant. Hij betoogt in dit verband dat de geluidgrenswaarden
die zijn gesteld in de ten behoeve van de inrichting verleende milieuvergunning
van 22 februari 1994 worden overtreden. Dit wordt veroorzaakt door met name het
op- en overslaan van schroot en de daarmee samenhangende activiteiten, aldus
appellant.
Tevens voert appellant aan dat ten onrechte is nagelaten op het terrein van
de inrichting, overeenkomstig de bij de vergunning behorende tekening, een
groenstrook aan te leggen aan de zijde die aan zijn perceel grenst. Omdat op de
plaats van de groenstrook activiteiten plaatsvinden, ondervindt appellant
geluidhinder. Mede vanwege deze activiteiten op de desbetreffende locatie
ondervindt appellant tevens visuele hinder vanwege het regelmatig tot boven de
tussen de percelen aanwezige schutting opgeslagen schroot. Ten gevolge hiervan
komen stukken schroot in zijn tuin terecht. Dat veroorzaakt overlast, aldus
appellant.
2.4.1. Met betrekking tot het als gevolg van het opslaan van oud ijzer in de
omgeving geraken van dit ijzer stelt de Afdeling op grond van de stukken en het
verhandelde ter zitting vast dat uit een door verweerder uitgevoerde controle is
gebleken dat ten tijde van het primaire besluit oud ijzer, afkomstig van deze
opslag, op het perceel van appellant lag. Verweerder heeft zich in het bestreden
besluit op het standpunt gesteld dat dit evenwel geen overtreding van de
vergunning is, omdat aan de vergunning van 22 februari 1994 geen voorschriften
zijn verbonden met betrekking tot het voorkomen van hinder van oud ijzer buiten
de inrichting.
De Afdeling overweegt dat verweerder terecht in het besteden besluit naar
voren heeft gebracht dat geen specifieke voorschriften aan de vergunning zijn
verbonden ter voorkoming van hinder van de aanwezigheid van dit oud ijzer buiten
de inrichting. Verweerder kon echter zijn bevoegdheid tot het toepassen van
bestuurlijke handhavingsmiddelen in het onderhavige geval aan voorschrift 17
ontlenen. Ingevolge dit voorschrift behorende bij de vergunning van 22 februari
1994 is degene die de inrichting drijft, gehouden te doen en na te laten hetgeen
redelijkerwijs kan worden gevergd om gevaar en schade dan wel hinder buiten de
inrichting te voorkomen of te beperken. Gelet op deze activiteiten en de
strekking van dit voorschrift, was het voor vergunninghoudster duidelijk wat
redelijkerwijs van hem kon worden gevergd ter voorkoming van het als gevolg van
deze activiteiten buiten de inrichting ontstane hinder. Derhalve was verweerder
ten aanzien hiervan ten tijde van het primaire besluit bevoegd tot het treffen
van bestuurlijke handhavingsmiddelen. De omstandigheid, zo verweerder ter
zitting heeft gesteld, dat het slechts om een geringe hoeveelheid ijzer ging,
doet aan de handhavingsbevoegdheid als zodanig niet af. Verweerder heeft zich
dan ook ten onrechte onbevoegd geacht, zodat het bestreden besluit op dit punt
wordt vernietigd.
2.4.2. De Afdeling overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat ten
tijde van het primaire besluit de geluidvoorschriften niet werden nageleefd,
zodat verweerder destijds in zoverre bevoegd was tot het toepassen van
bestuurlijke handhavingsmiddelen.
Ten aanzien van het ontbreken van een groenstrook en de opslag van oud ijzer
op dat deel van de inrichting stelt de Afdeling vast dat blijkens tekening II,
behorende bij de vergunning van 22 februari 1994, ter hoogte van het perceel van
appellant een groenstrook op het terrein van de inrichting behoort te liggen.
Deze groenstrook is nimmer op het terrein van de inrichting aangelegd. In plaats
daarvan vond op dat deel van het terrein van de inrichting in strijd met hetgeen
is vergund opslag van oud ijzer plaats. De inrichting was derhalve destijds ook
in zoverre niet overeenkomstig de verleende vergunning in werking, zodat
verweerder bevoegd was tot het treffen van bestuurlijke handhavingsmiddelen.
2.4.3. De bevoegdheid van verweerder tot het treffen van bestuurlijke
handhavingsmiddelen betekent echter niet zonder meer dat verweerder handhavend
had moeten optreden; er kunnen zich situaties voordoen waarin, na afweging van
de betrokken belangen, daarvan mag worden afgezien.
Verweerder heeft daartoe naar voren gebracht dat de vergunde activiteiten
niet aan de geldende geluidvoorschriften kunnen voldoen. Naleving van deze
voorschriften zou leiden tot een beëindiging van de vergunde activiteiten. Dit
zou onredelijk zijn ten opzichte van vergunninghoudster. Bovendien is, volgens
verweerder, gelet op de korte periode per dag dat de geluidveroorzakende
activiteit, het op- en overslaan van oud ijzer, plaatsvindt, geen sprake van
onaanvaardbare hinder. Daarnaast heeft verweerder naar voren gebracht dat
vergunninghoudster zal worden verzocht binnen een daartoe gestelde periode een
revisievergunning aan te vragen.
De Afdeling stelt, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, vast
dat de geluidhinder veroorzakende activiteiten met oud ijzer zijn toegenomen ten
opzichte van hetgeen in 1994 is vergund. Ten tijde van het nemen van het
bestreden besluit was nog geen ontwerp-besluit strekkende tot het verlenen van
een revisievergunning genomen; er lag zelfs nog geen door verweerder in
behandeling genomen aanvraag om deze revisievergunning voor, zodat legalisering
van niet-vergunde activiteiten niet op korte termijn was te verwachten. Voor
verweerder kon daarin geen aanleiding worden gevonden om niet handhavend op te
treden
De Afdeling stelt vast dat in de aan de vergunning van 22 februari 1994
verbonden voorschriften 1 en 2 geluidgrenswaarden zijn gesteld ten behoeve van
het in werking zijn van de inrichting. De grenswaarde voor het equivalente
geluidniveau voor de dagperiode is daarbij vastgesteld op 50 dB(A) op onder meer
de gevel van de woning van appellant. Verder mogen de piekgeluiden in de
dagperiode, gemeten in meterstand “fast”, niet meer bedragen dan 70 dB(A).
Blijkens een akoestisch rapport van 17 januari 2002 van dgmr Raadgevend
Ingenieurs B.V. met kenmerk T.01.0393.A, opgesteld ten behoeve van een gewenste
uitbreiding van de winkel en het magazijn van inrichting, wordt bij het in
werking zijn van de inrichting het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50
dB(A) in de dagperiode bij de woning van appellant met 12 dB(A) overschreden.
Voorts, zo blijkt uit het desbetreffende akoestisch rapport, wordt de
piekgeluidgrenswaarde van 70 dB(A) met 14 dB(A) overschreden. Gelet op het
vorenstaande acht de Afdeling het aannemelijk dat de vastgestelde equivalente
geluidgrenswaarde aanzienlijk wordt overschreden en dat appellant als gevolg
daarvan een grote mate van hinder ondervindt. Dat de desbetreffende
activiteiten, volgens verweerder, slechts gedurende een korte periode per dag
plaatsvinden, wat daar overigens ook van zij, doet hieraan niets af. Nu in dat
geval een zeer aanzienlijke geluidemissie dient te worden geproduceerd, wil de
geluidemissie vanwege deze activiteiten binnen een korte periode tot een
dergelijke overschrijding van de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau leiden.
Gelet hierop is het bestreden besluit in dit opzicht in strijd met artikel
7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin, voor zover hier van
belang, is bepaald dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een
deugdelijke motivering. De omstandigheid dat de geluidgrenswaarden behorende bij
de vergunning van 22 februari 1994 niet konden worden nageleefd, wat daar
overigens ook van zij, vermag daarbij niet tot een ander oordeel leiden.
2.4.4. Ten aanzien van de groenstrook brengt verweerder naar voren dat deze
strook enkel is bedoeld ter voorkoming van visuele hinder. Nu vergunninghoudster
een schutting heeft geplaatst, zijn de bedrijfsactiviteiten visueel afgeschermd,
aldus verweerder. Het afdwingen van de aanleg van een dergelijke strook is
volgens verweerder niet wenselijk omdat in vergunningvoorschriften de toegestane
opslaghoogte kan worden vastgelegd, zodat geen visuele hinder zal optreden.
Zoals hiervoor is overwogen, was ten tijde van het nemen van bestreden
besluit legalisering van niet-vergunde activiteiten niet op korte termijn te
verwachten, zodat daarin voor verweerder geen aanleiding kon worden gevonden om
niet handhavend op te treden.
De Afdeling constateert dat verweerder in het bestreden besluit heeft
opgemerkt dat recent is vastgesteld dat de opslag van oud ijzer plaatsvindt tot
boven de schutting. Daarmee heeft de schutting geen visuele afscherming, aldus
verweerder. De Afdeling stelt op grond van de stukken, waaronder door appellant
overgelegde foto’s, vast dat de opslag van oud ijzer tot boven de schutting
vanuit de tuin van appellant visueel waarneembaar is. Gelet op het vorenstaande
heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat visuele hinder in voldoende mate is
beperkt. Het bestreden besluit is in dit opzicht in strijd met artikel 7:12,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin, voor zover hier van
belang, is bepaald dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een
deugdelijke motivering.
2.5. Het beroep voorzover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit
is niet-ontvankelijk. Het beroep voorzover gericht tegen de beslissing op
bezwaar van 12 augustus 2003 is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar
dient te worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met
inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.
2.6. Verweerder dient op navolgende wijze in de proceskosten te worden
veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep voorzover gericht tegen het niet tijdig nemen van een
besluit op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep voorzover gericht tegen de beslissing op het
bezwaarschrift gegrond;
III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van
Fryslân van 12 augustus 2003, kenmerk 530178;
IV. draagt het college van gedeputeerde staten van Fryslân op binnen 12 weken
na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit
te nemen;
V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Fryslân in de door
appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot
een bedrag van € 57,28;
VI. gelast dat de provincie Fryslân aan appellant het door haar voor de
behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in
tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Van Heusden
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004
Bron: website Raad van State,
www.raadvanstate.nl