CBS, 23 november 2004
In het rapport "De Nederlandse samenleving
2004" geeft het CBS onder andere een overzicht van de hoeveelheid geluidshinder onder geënqueteerde personen.

Om geluidsoverlast te beperken treft de overheid maatregelen zoals de aanleg van geluidswallen en het beperken van nachtelijke vliegbewegingen. Landbouwtechnische maatregelen, zoals het injecteren van mest, en overheidscampagnes gericht op ontmoediging van het gebruik van de open haard, moeten de stankoverlast tegengaan. Hoe groot is de hinder van geluid en stank?
Begin jaren negentig meldde ruim één op de drie Nederlanders daar last van te hebben. Dit cijfer daalde naar 27 procent in 1997 om vervolgens langzaam te stijgen naar nagenoeg hetzelfde niveau als in het begin van de jaren negentig. Ook het vliegverkeer blijkt een bron van ergernis. Een kwart van de bevolking meldde begin jaren negentig daar last van te hebben. Dit cijfer nam af tot 18 procent in het midden van dat decennium, om daarna tot 2003 op een vrij constant niveau te blijven.
De betekenis van geluidshinder veroorzaakt door railverkeer en industrie is beperkter. Respectievelijk zo’n 6 en 4 procent van de bevolking zegt daar last van te hebben. Al met al meldde begin jaren negentig de helft van de bevolking van één of meer van voornoemde bronnen van geluidshinder last te hebben. Na een daling naar 41 procent in 1996 laat het cijfer anno 2003 een niveau van 44 procent zien. Dit betekent dat, alle maatregelen ten spijt, de overlast van verkeerslawaai de afgelopen jaren nauwelijks is verminderd. Nieuwe Europese regelgeving zoals de Richtlijn Omgevingslawaai 2002 dient om het omgevingslawaai in te dammen.Dit duidt erop dat geluidsoverlast niet louter in het dichtbevolkte Nederland als probleem wordt onderkend.
Bron: website CBS, www.cbs.nl