Ministerie Verkeer en Waterstaat, 30 november 2001
Vooruitlopend op haar definitieve standpunt, gaat de minister van Verkeer en Waterstaat in een brief aan de Tweede kamer in op het project VERA (Verbinding Roosendaal Antwerpen).
Halverwege de jaren ’90 bleek uit studies ten behoeve van de tracering van de HSL-zuid dat de capaciteit van de bestaande spoorverbinding Roosendaal-Antwerpen (Lijn 12) op termijn niet voldoende zal zijn om het toenemende aantal personen- en goederentreinen te kunnen verwerken. Spoorverdubbeling van de bestaande lijn was voor België onaanvaardbaar in verband met de benodigde grootschalige sloop van woningen en overige panden. De doortrekking van de Antwerpse Havenspoorlijn (Lijn 11) naar de spoorlijn Goes - Bergen op Zoom werd gezien als alternatief. In het HSL-verdrag uit december 1996 is opgenomen dat ernaar gestreefd wordt om vóór 1 januari 2000 een tracékeuze te maken voor deze doortrekking. In Nederland zijn de gebruikelijke procedures doorlopen (SVV2-wijziging, verkenningsstudie) om een planstudie naar de doortrekking van Lijn 11 te kunnen beginnen.
Na de start van de planstudie VERA in augustus 1998 bleek dat de provincie Noord-Brabant en de betrokken gemeenten de scope hiervan te beperkt vinden. Vanwege de reeds bestaande en in de toekomst groeiende overlast en externe veiligheidsrisico’s van het spoorvervoer pleitte de regio voor een studie naar een geheel nieuwe spoorverbinding voor goederenvervoer vanaf de Belgische grens tot de Moerdijkbrug. Mede naar aanleiding van een debat met de Kamer in december 1999 werd de regering verzocht om het VERA-studiegebied uit te breiden en lokale alternatieven in de planstudie mee te nemen. In haar brief van 16 februari 2000 gaf de minister een reactie op deze motie gegeven: als zou blijken dat de toekomstige hinder van het treinverkeer niet met behulp van lokale inpassingsmaatregelen tot een aanvaardbaar niveau zou kunnen worden teruggedrongen, zullen verdergaande maatregelen als omleidingen en een geheel nieuw tracé bestudeerd worden.
In de Trajectnota/MER VERA zijn voor de tracédelen tussen de Belgische grens en de spoorlijn Goes - Bergen op Zoom 3 tracé-alternatieven bekeken, evenals voor de tracering bij Bergen op Zoom en het tracé bij Roosendaal. Voor de zogenaamde aandachtsgebieden, waar qua spoorcapaciteit geen knelpunt bestaat (Oudenbosch, Zevenbergen, Etten-Leur en Reimerswaal) zijn de meest relevante hindereffecten van het intensievere treinverkeer bepaald en is een aantal lokale hinderbeperkende maatregelen onderzocht. De reacties op de Trajectnota vanuit de regio waren overwegend negatief vanuit de vrees dat gekozen zou worden voor de ‘goedkoopste’ oplossing, namelijk het gebruik van de bestaande spoorlijn in de huidige vorm. Deze voert door diverse woonkernen.
Een gesprek met regionale bestuurders heeft geleid tot het besluit om nog eens te kijken naar de inpassingsmogelijkheden van het bestaande spoor in de betreffende bewoonde gebieden.
De informatie uit de Trajectnota/MER VERA, de reacties daarop vanuit de inspraak en van de betrokken bestuursorganen, de in de eerste helft van dit jaar uitgevoerde gemeentelijke inpassingsstudies en de ‘dedicated’ studie van de provincie Noord-Brabant brengen de minister tot de conclusie dat voor het afwikkelen van de voorziene hoeveelheid goederentreinen op de as Rotterdam - Antwerpen ook naar andere mogelijkheden gezocht moet worden dan het gebruik van de bestaande spoorlijn in de huidige vorm. De hinder van geluid en trillingen en de risico’s die samenhangen met het vervoer van gevaarlijke stoffen zullen langs de bestaande spoorlijn in de huidige vorm erg groot worden. In de huidige situatie overschrijdt de hinder reeds op diverse plaatsen de normen.
Om dit op te lossen is de minister van plan een tweeledig besluit te nemen:
a) realisatie van de doortrekking van Goederenlijn 11 naar de spoorlijn Goes - Bergen op Zoom in de periode tot 2010;
b) het uitvoeren van een onderzoek naar een eindbeeld voor de primaire spoorverbinding Rotterdam - Antwerpen om zodoende een voorstel voor een toekomstvaste, gefaseerde oplossing te kunnen voorbereiden voor de periode na 2010; in dit onderzoek worden mogelijke alternatieven vergeleken.
In Roosendaal is niet alleen sprake van hinder en risico’s van het doorgaand treinverkeer, maar ook van het gebruik van het rangeeremplacement. De Minister van VROM heeft een ICES-claim ingediend om een aantal rangeeremplacementen uit de binnenstedelijke gebieden te plaatsen uit oogpunt van veiligheid en verbetering van ruimtelijke kwaliteit. Het belang van de aanpak van deze emplacementen is ook neergelegd in de septemberbrief van het kabinet over externe veiligheid. In het Eindbeeld-onderzoek zal eveneens gekeken worden naar de beste locatie voor een nieuw emplacement.
Volgens de minister is het duidelijk dat als de bestaande spoorlijn met alleen lokale inpassingsmaatregelen zoals geluidschermen wordt uitgerust, de hinder en de risico’s hoog blijven. Vandaar dan ook het voornemen om in goed overleg met de betrokken bestuursorganen een Eindbeeld-onderzoek uit te voeren, voor meer structurele, duurzame oplossingsrichtingen.