Vogels horen anders: nieuwe methodiek voor bepaling effecten

Ada Tursic, Niels Jeurink, Hanneke Oudega en Jean-Pierre van Mulken, Tauw, samengevat door de redactie, 27 februari 2013

In beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebieden, mag een toename van de geluidsbelasting er niet toe leiden dat de voor geluid gevoelige soorten worden geschaad. Van die soorten mogen de instandhoudingsdoelen door een ruimtelijke ontwikkeling niet worden belemmerd. Verder mag door een toename van de geluidsbelasting de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in gevaar komen.

Het bepalen van de effecten van verstoring van de communicatie tussen vogels door omgevingsgeluid is echter niet eenvoudig. Doorgaans wordt op grond van een bepaalde geluidscontour in dB(A) berekend of effecten op natuur kunnen worden verwacht.

Uit tal van onderzoeken is echter bekend dat het gehoorvermogen van vogels sterk afwijkt van dat van de mens. Veel soorten horen minder goed en in een smaller frequentiebereik dan de mens. De A-weging zou, althans in onderzoeken naar de effecten op vogels, daarom buiten beschouwing moeten blijven.

Voor het bepalen van effecten van geluid door een ruimtelijke ontwikkeling op vogels zijn de volgende parameters belangrijk:

  • Het heersende omgevingslawaai.
  • Het bijkomende mogelijke stoorlawaai dat door een ruimtelijke ontwikkeling wordt veroorzaakt.
  • Welke soorten komen in het gebied voor?
  • Wat is het gehoorvermogen van deze soorten?

Maskering van communicatie

Geluidsignalen worden in een oor (mens, zoogdieren, vogels) het sterkst gemaskeerd (overstemd) door andere geluiden die zich in hetzelfde frequentiegebied bevinden. Een zangsignaal van 4000 Hz wordt het sterkst gemaskeerd door een stoorgeluid dat zich op de frequentieschaal in de buurt van 4000 Hz bevindt. Onderzoek heeft uitgewezen dat de vogels het beste horen in die frequenties waarmee ze ook communiceren. Bij mensen geldt dit ook: ons gehoor is het gevoeligst voor de frequenties die zich in de spraak bevinden.

Bij onderzoek naar het verstorende effect van geluid heeft het daarom niet veel zin om naar het totale geluidsniveau te kijken van het stoorlawaai. Om inzicht te verkrijgen in de aard van het geluid, dient te worden gekeken naar de frequentieverdeling van het mogelijke stoorlawaai: de verdeling van het geluidsvermogen over het frequentiespectrum in Hertz. Kennis van het gehoorvermogen van de vogelsoort is daarbij essentieel.

Met uitzondering van de juist veel gevoeligere uilen horen de meeste vogels veel slechter dan de mens. Vogels horen over het algemeen ook in een smaller frequentiegebied dan mensen. Met kennis van de frequentieverdeling van het stoorlawaai en kennis over het gehoorvermogen van een specifieke vogelsoort kan worden geanalyseerd in hoeverre de voor die vogelsoort relevante frequenties uit het mogelijke stoorlawaai daadwerkelijk verstorend werken. Het zangsignaal van veel zangvogels bevindt zich in een smal frequentiespectrum in het hoge frequentiegebied. Indien het stoorlawaai van de ruimtelijke ontwikkeling zich voor het merendeel in de lage frequenties bevindt, zal stoorlawaai vaak niet leiden tot extra verstoring.

Bron: Tauw