Lawaai in de stad beïnvloedt de zang van vogels

Universiteit Leiden, 5 december 2006

Stedelijke gebieden en hun toenemende lawaai beperken de soortenrijkdom van vogelgemeenschappen. Wereldwijd blijken bepaalde vogelsoorten zich makkelijk aan de stedelijke omgeving aan te passen en andere helemaal niet. Inzicht in de strategieën van de succesvolle soorten, kan de gevoeligheid van de andere soorten helpen begrijpen en herkennen. De koolmees (Parus major) is zo’n succesvolle soort. De zang, die een belangrijke rol speelt bij paarvorming en territoriumverdediging, vertoont bij deze soort aanzienlijke verschillen tussen stads- en bospopulaties. Hans Slabbekoorn en Ardie den Boer-Visser tonen dat aan in een studie in het onlinetijdschrift Current Biology van 4 december.

De onderzoekers vergeleken populaties in tien steden en tien bossen. In alle vergelijkingen tussen stads- en bospopulaties blijkt de zang in dezelfde richting te verschuiven. De vraag die zij zich stelden was of de koolmezen hun liedjes in frequentie omhoog schuiven, of dat ze de laagste elementen laten vallen, of dat ze een andere selectie van liedjes maken. Het laatste blijkt het geval te zijn.

Koolmezen hebben twee subsets in hun repertoire: een voor in de stad en een voor in het bos. Stadslawaai bestaat voornamelijk uit lage frequenties. Hierdoor worden de lage tonen in een vogellied gemaskeerd. Als het lawaaierig is gebruiken koolmezen dan ook minder de liedjes met lage tonen die wel in hun repertoire zitten. Koolmezen leren van hun buren. Een mogelijkheid is dat ze de liedjes leren die ze goed kunnen horen, stelt Slabbekoorn. Het kan ook de andere kant op werken. Een vogel heeft een repertoire van drie tot negen liedjes die niet allemaal dezelfde frequentie hebben. Het is logisch dat de mezen de liedjes die nauwelijks respons opwekken bij hun buren, laten vallen en vervangen door liedjes met veel respons.

Bron: Website Universiteit Leiden

home...